Coen Stork was van 1982 tot 1987 Nederlands ambassadeur in Cuba. Van 1988 tot 1993 zou hij ambassadeur worden in Roemenië en maakte daar de val van dictator Ceaușescu mee. Vorig jaar keerde hij naar Cuba terug, samen met fotograaf Kadir van Lohuizen om te kijken of er veel veranderd was in een kwarteeuw. In het NRC Magazine constateerde hij toen: ‘De Cubanen worden doodmoe van de schaarste en de beperkingen’. Deze week komt bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep zijn boek De rode ambassadeur uit met zijn ervaringen als diplomaat in dienst van het Koninkrijk der Nederland, opgetekend door Peter Henk Steenhuis. Kees van Kortenhof, eindredacteur van de Cubaweblog, sprak met hem over zijn Cubaanse jaren.
Hoe zag een dag uit het leven van de Nederlandse ambassadeur in Havana er dertig jaar geleden uit?
‘Ik heb net mijn agenda’s uit die vijf jaar dat ik in Cuba zat nog eens doorgenomen. Daar staat op zich niet veel interessants in, maar het geeft wel een goed beeld van wie ik op zo’n dag zag. De eerste maanden als ambassadeur op een dergelijke nieuwe post gaan voornamelijk heen met het brengen van kennismakingsbezoeken aan lokale autoriteiten, aan een aantal ministers met wie je denkt te maken te krijgen en het ontmoeten van de Nederlanders daar, maar dat waren er toen niet veel. Wel waren er regelmatig bezoekende Nederlandse ondernemers zoals die van het smeermiddelenbedrijf Castrol. Dat bedrijf had zijn naam natuurlijke mee. Directeur Jan Klaver en zijn vrouw heb ik bijvoorbeeld regelmatig gesproken. De bezoeken aan collega’s heb ik altijd heel serieus genomen, zowel in Cuba als in Roemenië. Sommige collega’s hadden de gewoonte om bijvoorbeeld ambassadeurs uit Afrika over te slaan. Ik deed dat niet hoewel het soms moeilijk is. Je weet niet altijd wat je met bijvoorbeeld de ambassadeur van Mali moet bespreken. Maar ik wilde niet discrimineren. De Britten zijn belangrijker dan de man uit Kenia, maar ook zulke bezoeken leverden soms iets op. Ik bezocht ook alle Oost-Europeanen. En verder maakte ik gebruik van een beproefde infiltratiemethode door overal te verschijnen en elke uitnodiging aan te nemen op cultureel gebied: congressen, presentaties, boeken, filmpremières, tentoonstellingen en festivals en mijn belangstelling te tonen. Een belangstelling die ik trouwens in werkelijkheid ook had. En dat levert dan al snel een vrij grote kring van kennissen, vrienden en vriendinnen op.’

Ontmoeting in Amsterdam op 8 maart 1993 tussen Coen Stork en de uitgeweken dichteres Maria Elena Cruz Varela*
Uw woning in Havana stond bekend als een zoete inval bij uitstek in Havana. Wekte dat geen achterdocht bij de autoriteiten?
‘Ik beschikte in Cuba voor de eerste maal over een eigen ambtswoning met een zwembad en een leuk terras en dat heeft natuurlijk in een land met veel schaarste zijn aantrekkingskracht: praten, eten, drinken en zwemmen. Of de geheime dienst zich daarin mengde, weet ik niet. Ik herinner me wel dat op een van die zaterdagmiddagen de schrijver Pablo Armando Fernández, toen ook al een trouwe aanhanger van de revolutie, naar mij toe kwam en vroeg: ‘Wie is die man die daar in die hoek staat?’ Het was een ongeveer 30-jarige man die niet zo goed paste in het culturele milieu dat toen aanwezig was. Hij had ook een wat vreemd guayabera-overhemd aan en ik kende hem ook niet. Schertsend zei ik tegen hem dat hij van de geheime dienst was en Pablo Armando reageerde met: ‘Och ja, zo ziet hij er ook wel uit.’
Op dit moment is er sprake van een Europese coördinatie rond het mensenrechtenbeleid in Havana. Hoe was dat in uw tijd?
‘Zo’n Europees beleid bestond toen niet en ook Den Haag was onduidelijk op dat gebied. Ik kreeg ook nauwelijks instructies mee en er was geen inwerkperiode. Ik moest me vooral buigen over economische kwesties en had daarover contacten met Jan van Wissen van de toenmalige Economische Voorlichtingsdienst. Maar op politiek en mensenrechtenbeleid hoorde ik niets. Je moet wel bedenken dat dat ook te maken had met de krappe bemensing van onze ambassade; twee diplomaten en een kanselier. De Amerikanen en de Engelsen hadden veel meer mensen. Ik maakte op de Amerikaanse ambassade in Zuid Afrika een militaire attaché mee die zelfs Afrikaans sprak. Maar met de mensenrechtenactivist Elizardo Sánchez had ik contacten. Ook de aanwezigheid van twee Antilianen in de gevangenis Combinado del Este leverde me wel informatie op. Zij werden verdacht van fraude bij een koffietransactie en ik zocht hen regelmatig op. Na hun vrijlating logeerden ze enkele dagen in mijn huis en met de namenlijstjes van gevangenen die ik kreeg van collega-ambassadeurs, kon ik dat enigszins checken. Dat deden we maar in de tuin om afluisteren te voorkomen.’
Gasten zonder functie
‘Mijn Cubaanse vrienden hebben nooit problemen gekregen door hun bezoeken. Ik denk dat de redenering was ‘als de Nederlandse ambassadeur het nu leuk vind om Cubaanse schrijvers en schilders te leren kennen, laat hem dan.’ Ik herinner me nog een keer dat de journalist Luis Baez op bezoek was. Hij wordt wel ‘het geheugen van de revolutie’ genoemd. Hij had alles meegemaakt en was onvoorwaardelijk trouw, en kwam met een duidelijke boodschap toen hij mij vroeg: ‘ Waarom nodig je ook mensen uit die niks betekenen en geen functie hebben?’ Ik antwoordde: ‘Geen functies hebben? Ik vraag mensen omdat ik ze leuk vind, of omdat ze intelligent of interessant zijn of speciale eigenschappen hebben. En daar zal ik ook mee door gaan. Het is de enige boodschap van deze soort geweest. In Roemenië kreeg ik dergelijke waarschuwingen wel vaker. Ik herinner me nog dat Baez heimelijk enkele dure Havana’s in zijn borstzakje stopte en dat mijn collega hem bij afscheid zo enthousiast en intens omhelsde, dat al die sigaren vergruizeld moeten zijn. Maar iemand als Alfredo Guevara, een trouwe communist en strijdmakker van Fidel, waardeerde het juist wat ik deed. Ik ontving ook veel buitenlandse journalisten en sprak met hen. Soms waren die doorgestuurd door collega-ambassadeurs. Die wilden zich liever aan de vuistregel in de diplomatie houden dat je eerst contact met je land opneemt, voordat een journalist met je praat. Ik ontving ze vrij gemakkelijk en ik vond die vuistregel getuigen van wantrouwen in je eigen mensen. Je bent toch niet helemaal gek.’
Dilemma’s
‘U vermeldt in het boek een discussie met een vriend, de NRC-hoofdredacteur André Spoor, die u verwijt een ambivalente houding aan te nemen tegenover de mensenrechtenschendingen. Zelf noemt u het ‘kiezen uit twee kwaden en als ik destijds gedwongen zou zijn te kiezen, zou ik het niet geweten hebben.’
‘Ik blijf dat moeilijk vinden en ik heb me destijds laten leiden door wat andere Latijns-Amerikanen op bezoek in Havana, me vertelden. Die stonden werkelijk versteld over de situatie in Havana. Ik kende de rest van Latijns Amerika niet. Zij kwamen op congressen in Cuba en zagen de bekende verworvenheden zoals een dak boven het hoofd van iedereen, gratis doktersbezoek en gratis onderwijs. Dat waren grote verworvenheden die niet konden worden weggepoetst. Ik vroeg eens aan een bekende gekleurde balletdanseres, waar ze zou staan zonder revolutie en ze antwoordde dat ze dan nooit de top van het ballet had kunnen bereiken, die ze nu had bereikt. Dat waren belangrijke waarnemingen voor mij en die bevestigden mijn hoop. Het blijft een moeilijk dilemma. Ik heb er Harry Mulisch wel eens naar gevraagd toen ik enige tijd deel uitmaakte van zijn herenclub. Maar hij bleef het antwoord schuldig. Dat irriteerde me ook. Mulisch was pro-Fidel, dat mag, maar wat mij ergerde was dat hij geen antwoord gaf op zulke vragen, ook niet tijdens onze bijeenkomsten. Het was een van de redenen, om daar weg te blijven. Schendingen van mensenrechten moeten kritisch behandeld worden en serieus genomen worden. Dat deed ik in Havana maar ook op andere posten waar ik werkzaam was als Zuid Afrika en Roemenië.’
Kees van Kortenhof
De Rode ambassadeur. De 20ste eeuw door de ogen van Coen Stork, geschreven door Peter Henk Steenhuis, filosofieredacteur bij het dagblad Trouw en publicist.
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep – ISBN 9789025368784 – Prijs € 17,95, 208 blz.
Ter gelegenheid van de verschijning van dit boek heeft Bijzonder Collecties van de UVA een kleine tentoonstelling ingericht over Coen Stork. Locatie: Museumcafé van de Bijzondere Collecties, Oude Turfmarkt 129 te Amsterdam.
Openingstijden: vrijdag 25 mei van 9. 30 – 13 uur, maandag 28 mei 13 tot 17 uur, dinsdag 29 mei en woensdag 30 mei van 9.30 tot 17 uur. Toegang vrij.

Het moet begin jaren ’90 zijn geweest dat ik op de Malecon in Havana werd aangesproken door een jonge vrouw. Ze vroeg waar ik vandaan kwam. ‘Holanda’, antwoordde ik, zonder veel zin in een gesprek. Dan kende ik ‘señor Koon’ zeker wel, de Nederlandse ambassadeur. Ik had geen flauw idee. Ze vertelde over de feestjes bij hem thuis: veel Cubaanse meiden die naakt in het zwembad poedelden. Ik wimpelde haar af, maar realiseerde me later dat ze het had over genoemde ambassadeur Coen Stork. Of hij zich er nog iets van kan herinneren?
Wat een eng mannetje die Hans Bos. Coen Stork was een geweldige ambassadeur voor Nederland in Cuba. Het past niemand om een prachtmens als Coen Stork op deze manier in diskrediet te brengen. Trouwens Coen Stork diende Nederland in de eerste helft van de tachtiger jaren in Havanna en niet begin jaren 90!
Eng? Ik doe niets af aan de verrichtingen van Coen Stork. Ik verhaal alleen wat mij in dit kader is overkomen. Ik weet deksels goed wanneer Coen in Havana heeft gediend. De dame is kwestie heeft me het verhaal begin jaren negentig verteld. Eerst goed lezen, dus.
Hypocretie ten top!
Wat voor belang dient het dan om dit verhaal als reactie te vermelden in deze weblog? Als je zoiets hoort, waarvan je nog niet eens weet of het de waarheid is, hou het dan voor je en breng het niet in de publiciteit.
Wat zijn die ambassadeurs toch een nietsnutten. Mijn vermoeden wordt weer eens bevestigd… Ze hebben tijd voor lunches met alle collega ambassadeurs, kunnen in huis met zwembad uitnodigen wie ze willen…
Wat heeft zo’n ambassadeur daar in cuba nou bereikt: ja hij heeft allerlei zogenaamde dissidenten uitgenodigd in zijn luxueuze omgeving. Dit soort zaken bevestigen vooroordelen van gewone cubanen dat zogenaamde dissidenten doekoe gaan zoeken in ambassadekringen.
Coen Stork was een ambassadeur die met kop en schouders boven zijn collega’s uitstak en verdient waardering en respect! In Roemenie wordt hij nog steeds geroemd en zeker de rol die hij vervulde tijdens de gebeurtenissen in 1989! Hij bezat lef en durfde van de gebaande paden af te wijken. Hij was een voorbeeld voor het Nederlandse corps diplomatique, ook al had “Den Haag”wel eens moeite met zijn eigenzinnig en kordaat optreden.
Absoluut!
Ja vergeleken met andere ambassadeurs zal ie best goed werk hebben gedaan. Maar als je het artikel leest en ziet waar de ambassadeur zich mee bezig houdt, tja, gaan lunchen met de collega ambassadeur van Mali. Daarnaast worden extreme perverse prikkels gecreeerd voor zogenaamde dissidenten, maar dat is met ontwikkelingshulp in het algemeen nog veel problematischer, alle rent seeking die het creeert.