García Márquez bezocht mijn geliefde grootmoeder in Oud-Havana

‘Op een dag in 1983 nam ik Gabo (de Colombiaanse schrijver en Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez) mee naar mijn grootmoeder, die in Oud-Havana woonde, hoek Aguiar en Cuarteles, nummer 105. Zij kwam uit Gallicië en was in 1926 naar het eiland verhuisd; het was het jaar van een verwoestende wervelstorm en het jaar waarin een andere verwoestende cycloon, genaamd Fidel Castro, werd geboren.’
In bijgaand artikel beschrijft zijn Cubaanse collega-auteur Manuel Pereira hoe hij de Colombiaanse schrijver Márquez kennis laat maken met de armoede in de Cubaanse samenleving en bezoeken zij samen zijn grootmoeder in Oud-Havana.

manuel-pereira-con-gabriel-garcia-marquez

Manuel Pereira (links) en Garcia Marquez

Ik wilde dat Gabriel García Márquez de arme mensen leerde kennen, de andere kant van de medaille zou ontdekken, want ik wist dat hij altijd in door de overheid aangewezen hotels en huizen in Miramar, in Cubanacan verbleef. Ik nam hem te voet mee naar de Loma del Angel, een straat in Oud-Havana en toonde hem de slagerij van een landgenoot van mijn oma. Deze was onteigend en veranderd in een puinhoop. Ik toonde hem ook een aantal jaren geleden in beslag genomen bedrijven zoals de Guarapera Cheo, veranderd in het Comité voor de Verdediging van de Revolutie (CDR). Ik liet hem de winkel zien van iemand uit Asturië. Dat was nu ingang van een appartementencomplex, de afgesloten en dichtgetimmerde bakkerij van een Catalaan en de groenten- en fruitwinkel van een Chinees, die was veranderd in een krot. Overal zag je geïmproviseerde betonnen muren zonder bepleistering en weinig romantische tralies voor de ramen. Het enige pittoreske dat was overgebleven in de wijk waren de waslijnen aan de balkons.

Dorpsbewoner
De ogen van de door mij bewonderde schrijver – die geoefend waren door zijn grote ervaring als journalist – misten niets. We klommen naar de eerste verdieping van de woning en liepen naar achteren, tussen serres, waar het glas in lood  voornamelijk kapot was. Wie had dat gedacht? Een Nobelprijswinnaar in een bouwval in Havana, maar mijn oma wist niet wat die Zweedse Academie was en wist ook niet waar Zweden lag. Jaren geleden verwarde zij de bekende Cubaanse schrijver Carpentier met een beroemde timmerman en Sartre met een beroemde kledingontwerper (‘Sastre’ in het Spaans) die een bezoek bracht aan het eiland. Zij was een bijna analfabete dorpsbewoner toen ze in Havana aankwam met espadrilles (schoenen van touw gemaakt) en een hoofddoek. Zij moest drie kinderen grootbrengen met het schoonmaken van vloeren en badkamers.

Wasteil
We betraden haar huis: een eetkamer, slaapkamer en een kleine keuken, maar er is geen badkamer. Mijn eregast zag het allemaal. Ze bood hem haar gammele stoelen en een fauteuil met een kapotte rieten zitting aan. We gingen aan tafel zitten. Uit schaamte liet ze Gabo niet de stinkende toiletten en collectieve douche, die ze nooit gebruikte, zien, maar ze gaf er de voorkeur aan een wasteil te gebruiken in haar vervuilde keuken, achter een plastic gordijn. Mijn grootmoeder haalde meteen koud water uit de trillende koelkast uit het jaar 1958 die zij General Electrico noemde en die vlekken op het wit email had.

Wonderdoos
Zij ging koffie zetten. Van de houten plafondbalken vielen stukjes naar  beneden als er iemand  naar boven liep. Gabo keek met een schuin oog naar de geschilferde muren en informeerde naar de dagelijkse gang van zaken. Mijn grootmoeder toonde hem haar libreta / bonnenboekje en haar wonderdoos. In de regelmatige periodes van schaarste aan tabak verzamelde zij, net als vele anderen in de straat, de restjes van sigaretten, die vervolgens gestript werden om tabak te verzamelen en er Tupamaros  van te maken. ‘Waarom Tupamaros?’ vroeg Gabo.  ‘Omdat ze illegaal zijn,’ antwoordde ik, en de auteur van Honderd Jaar Eenzaamheid glimlachte.

Tupamaros
Ze legde het ingewikkelde mechanisme van de kleine machine uit, die leek op een doosje met dominostenen. De tabak werd erin gelegd, en vervolgens trok ze een hendeltje in de vorm van een rol naar zich toe, als bij een kruisboog, waaruit  vervolgens een gerolde sigaret tevoorschijn kwam, gegomd met zetmeel. Wegens het gebrek aan papier voor het rollen van sigaretten, gebruikte ze bijna transparante pagina’s van een folder die de Spaanse ambassade haar ooit had toegestuurd. Maar omdat ze er te weinig had, gebruikte ze ook pagina’s van een nooit gelezen, maar wel in een soort talisman  gekoesterde Bijbel. Ze rookte even makkelijk een vers van de heilige Johannes als een zinsnede uit het Boek Prediker.

Gabriel García Márquez con Fidel Castro y Carmen Balcells en los años 80 en La Habana. (EFE)

Fidel Castro, García Márquez en Carmen Balcells (literair agente uit Spanje) in de jaren tachtig

Fidel boos
Bij het weggaan op straat zei Gabo: ‘Ik zou graag een boek schrijven over de schaarste onder Cubanen, je oma die haar Tupamaros maakt, het gebrek aan huiselijk geluk.’ Het zou een prachtig boek zijn’, riep ik uit. Hij klonk triest en zei: ‘Ik zou dat wel willen schrijven, vertellen over de blokkade en de gevolgen ervan, vertellen over de verbeeldingskracht van de Cubanen om moeilijkheden te overwinnen, maar ik wil  Fidel niet afvallen. Ik kan het niet schrijven, want dat is een boek dat Fidel zal zien als een aanval, en ik wil niet tegen hem in gaan’. Ik heb daarna niet meer aangedrongen. Elke schrijver kiest zijn eigen lot. Ondertussen rookte mijn grootmoeder boven in het  donker een hoofdstuk van Leviticus en de Bijbelse rook trok via haar balkon naar de maan.

Bron
* Website 14ymedio

Noot
* Manuel Pereira (1948) werd in Havana geboren en begon in 1968 zijn loopbaan als journalist. Hij werkte o.a. voor Cubaanse publikaties als Cuba Internacional, El Caimán Barbudo, Bohemia, Revolución y Cultura en Casa de las Américas. Hij raakte bevriend met de groten van de literatuur in die periode zoals José Lezama Lima, Alejo Carpentier, Julio Cortázar en Gabriel García Márquez. Later zou hij ook journalistieke bijdragen leveren voor buitenlandse bladen als ABC, El País, El Mundo, Babelia en de Mexicaanse  krant El Universal. In 1971 schreef hij een roman El Comandante Veneno o.a. over de alfabetiseringscampagne in de Sierra Maestra. Over dit boek schreef Gabriel García Márquez: ‘Deze roman over Cuba is de roman die ik zelf over Cuba geschreven had willen hebben.’ In 1988 werd Pereira door de culturele bazen van het regime uitgeschakeld en twee jaar lang verbannen uit het publieke leven. In januari 1991 verliet hij zijn land voorgoed, richting Berlijn. Sinds 2004 woont hij in Mexico-Stad.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s