Hoe Che ‘de koning van de suiker’ zijn rijkdom afnam

Julio Lobo (1898) was tot 1958 de rijkste mens van Cuba. Hij werd ‘de koning van de suiker’ genoemd en bezat 14 suikercentrales. BBC Mundo beschrijft hoe Che Guevara in oktober 1960 Lobo’s rijkdom in beslag nam. In de jaren vijftig werd zijn bezit op 2 miljard dollar geschat.

lobo-julio-suikermagnaat

Julio Lobo

Die nacht van de 11e oktober 1960 reed er een zwarte Chrysler door de straten van Havana. In de auto zat Julio Lobo, de rijkste man van Cuba die nog niet besefte dat hij naar een bijeenkomst ging die de rest van zijn leven zou bepalen. De Chrysler parkeerde tegenover de kantoren van de Nationale Bank van Cuba. Lobo die enigszins kreupel liep, betrad het gebouw waar de nieuwe president-directeur van de Nationale Bank, Ernesto ‘Che’ Guevara, sinds enkele maanden zetelde. Lobo was te middernacht door Che opgeroepen voor spoedoverleg. Ze zaten tegenover elkaar aan een tafel vol stapels papieren in een dichte wolk sigarenrook. Aan de ene kant de sobere communist met zijn baret, de kopie van de Nieuwe Mens, aan de andere kant het symbool van de bourgeoisie van het eiland, het ultieme symbool van het Cubaans kapitalisme. ‘Het was een uniek moment; daar ontmoette het Cuba van vóór en na 1959 elkaar en men kon zien dat het uur van de waarheid had geslagen,’ aldus John Paul Rathbone, auteur van De suikerkoning van Havana: de opkomst en ondergang van Julio Lobo, Cuba’s laatste tycoon.

cover-sugarking0of-havanaHet Volk
Guevara hield het kort. Hij nodigde Lobo uit de suikersector in de nieuwe regering te leiden in ruil voor zijn bezittingen. Hij zei hem ook dat er in de nieuwe samenleving geen ruimte meer was voor het kapitalisme en nodigde hem uit zijn kant te kiezen. Lobo zou in zijn villa kunnen blijven wonen en het vruchtgebruik kunnen krijgen van de Tinguaro, een van zijn 14 suikercentrales en zijn meest geliefde. De andere 13 centrales, pakhuizen, raffinaderijen, de radiostudio’s, de bank, de rederij, de luchtvaart -maatschappij, verzekeringen en de oliemaatschappij zouden overgaan in handen van het Volk of de Revolutie. Lobo reageerde niet ter plekke en vroeg om enkele dagen bedenktijd. De volgende ochtend, toen hij op zijn kantoor kwam, vroeg hij zijn secretaresse om hem te helpen bij het zoeken naar enkele belangrijke documenten, die nu nog steeds in handen zijn van zijn nakomelingen in Florida. ‘Dit is het einde,’ zei hij. Twee dagen later zat hij in een vliegtuig dat hem naar de VS bracht en keek uit over zijn geboorteland, ‘het eiland waar hij het meest van hield’.

suikerrietplantage

Suikerrietplantage

De bloei
Lobo was als 2-jarige in Cuba aangekomen, afkomstig uit Caracas, waar hij in 1898 werd geboren. Zijn familie, Sefardische joden, had zich daar gevestigd na een lange reis van Nederland via Spanje naar Portugal en Curaçao. ‘Vader verkreeg een fortuin in Cuba en Julio wordt, net als bijna alle kinderen van rijke mensen, naar de Verenigde Staten gestuurd om te studeren. Dan gaat hij terug naar Cuba en begint hij aan de bouw van zijn suikerrijk,’ zegt Rathbone. In zijn boek Cuba, The Pursuit of Freedom, schat historicus Hugh Thomas dat Lobo in 1958 bijna 405.000 hectare van het land in Cuba beheerste. Hij controleert het grootste deel van de in cultuur gebrachte suikerrietvelden in Cuba. De suikercentrales van Lobo leverden 4 van de 6 miljoen ton suiker die het land jaarlijks produceerde. ‘Cuba en suiker waren in die tijd het equivalent van Saoedi-Arabië en olie nu. Vanuit Havana werden de suikerprijzen op de wereldmarkt gecontroleerd. En achter die prijzen zat Julio Lobo,’ voegt Rathbone toe. Met de inkomsten uit suiker breidde Lobo’s ‘imperium’ zich uit tot het bankwezen, de scheepvaart en de luchtvaart. Volgens zijn biograaf, was een van zijn doelen om het Amerikaans kapitaal van het eiland te verdrijven. ‘Lobo verdiende zijn fortuin in Cuba en investeerde het in Cuba. Hij kocht veel suikermolens van Amerikanen omdat hij geloofde dat de Cubanen de controle over het land moesten hebben,’ zegt Rathbone. ‘Het is een aspect uit zijn leven dat wijst op nationale trots en vaderlandsliefde onder een bepaald deel van de Cubaanse bourgeoisie op het eiland. Dit in tegenstelling tot de clichés die er  bestaan over de bourgeoisie en de Cubanen voor de revolutie,’ zegt de schrijver.

musei-napoleonico-havana

Museo Napoleonico in Havana

Nieuw fortuin
Na zijn vlucht naar New-York verkreeg Lobo nieuw kapitaal op Wall Street, maar binnen vijf jaar raakte hij opnieuw bijna alles kwijt. Hij besloot vervolgens naar Spanje te gaan. Hij was een bewonderaar van generaal Francisco Franco en had al eerder financieel bijgedragen aan zijn strijd tegen de Republikeinen. Hij zou echter ook geld geven aan de rebellen die Fidel Castro leidde in de Sierra Maestra. Met zijn rijkdommen financierde hij ook het Museo Napoleónico in Havana met grootste verzameling memorabilia over Napoleon buiten Frankrijk. Lobo stierf op 20 januari 1983 in Madrid. Volgens Ratbone had hij minder verdriet over het verlies van zijn suikerraffinaderijen en andere rijkdommen, maar was het vooral het verlies van de schilderijen van Bartolomé Esteban Murillo, Diego Rivera, Da Vinci en Salvador Dalí die hem pijn deden. Die had de staat na zijn vertrek uit Cuba  geconfisqueerd.

Bron
* BBC News Mundo, 10 november 2018

Link
* Boekbespreking van The Sugar King of Havana: The Rise and Fall of Julio Lobo, Cuba’s Last Tycoon by John Paul Rathbone, Amercias Quarterly, Lente 2011

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s