Aida Valdés bestreed twee dictaturen

Vorige week dinsdagochtend kwam ik bij een Aida Valdés’ woning in de straat Neptuno aan, waar een bijeenkomst met verschillende vrouwen zou worden gehouden. Ik kwam er als journalist maar toen ik de tweede etage bereikte waar de bijeenkomst werd gehouden, stond ik voor een gesloten deur, afgesloten met een ijzeren hek. Dat schrijft Yusimí Rodríguez López, journalist bij de kritische website 14ymedio. Hij belde de activiste Marthadela Tamayo en ook Juan Antonio Madrazo Luna van een onafhankelijke antiracismebeweging. Toen bleek dat beiden door medewerkers van de Staatsveiligheid hun woningen niet mochten verlaten. Tot zes uur die middag bleven die omsingeld en konden zij niet weg.

Aida Valdés Santana (1939) streed tegen de dictatuur van Fulgencio Batista en vanaf 1961 streed ze tegen de zogeheten ‘revolutionaire regering’. Ze zou er vier maal voor in de gevangenis verdwijnen. Op 20 september had ze om 7 uur ’s ochtends bezoek gehad van enkele medewerkers van de geheime dienst, die haar meedeelde dat er in haar woning geen bijeenkomst met vrouwen zou mogen plaatsvinden. ‘Het zou een bijeenkomst van 12 tot 13 vrouwen worden, geheel vreedzaam’, zegt Aida. Ik besloot haar te interviewen omdat er toch geen verhaal over deze bijeenkomst kon worden gemaakt.

p1040999cubareisoktober2011-181

Aida Valdez Santana op haar balkon aan Neptuno

‘Ik was 17 jaar toen ik streed tegen de dictatuur van Batista. In 1962 organiseerde ik de eerste staking in dit land sinds 1959. Ik was vakbondsleider en de arbeiders in een voedingsfabriek bezaten aandelen die de eigenaren hen hadden gegeven. Op een dag kwam Lázaro Peña, leider van de Castrogezinde vakcentrale, naar onze fabriek om ons tijdens een vergadering mee te delen dat we deze aandelen moesten afstaan. Ik had mijn collega’s gezegd dat ik een signaal zou geven, mijn stoel zou omstoten als hij dit voorstel zou doen. We zouden dan allemaal vertrekken. Dat gebeurde en Lázaro Peña bleef alleen achter. Een dag later werd de gebeurtenis vermeld in de communistische krant Hoy, waar Peña en Blas Roca (vooraanstaande leiders van de Cubaanse Communistische Partij PCC, redactie) werkzaam waren. Ik moest voor de rechter verschijnen en ik werd tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens ‘vijandige propaganda’. Ik werd gevangen gehouden in een landbouwcomplex en toen ik vrij kwam, richtte ik de vakbondsgroep Coordinadora Obrera de Cuba (COC) op.’

Ging u opnieuw voor de staat werken?
‘Ze dwongen mij om te gaan werken in een bedrijf waar accu’s werden opgeladen. Bijna alle werknemers daar waren voormalige politieke gevangenen. Later werd ik naar het Nationaal Instituut voor de Landbouwhervorming (INRA) gestuurd, waar ik hoefijzers voor paarden maakte; ook daar was iedereen ex-politieke gevangene. De mannen vonden het niet goed dat ik dat zware werk deed.’ (…) ‘Maar je moet net als elke andere Cubaan overleven. Ik heb op straat frituur verkocht, van alles. ….. Mijn geluk waren mijn familie, mijn nichtjes die bij mij wonen. Ik heb ook nog familieleden die in het buitenland wonen en die ook veel van mij houden en van mijn werk.’

Valse informatie
Naast haar eerste periode van gevangenschap, werd Aida Valdés in 1967 opnieuw voor twee jaar  gevangen gezet. ‘In 1968 richtte ik de Nationale Coördinatie van ex- Gevangenen en Politieke Gevangenen op. En in 1977 werd ik beschuldigd van de verspreiding van valse denkbeelden gericht tegen de socialistische samenleving en opnieuw een jaar gevangen gezet. Ik werd beschuldigd van de verspreiding van valse berichten over politieke gevangenen, maar wij hadden de bewijzen steeds paraat en daardoor konden we een lijst overhandigen met 83 politieke gevangenen.’

Borreltje
In 1981 moest Aida Valdés Santana haar woning afstaan ondanks het feit dat ze met een testament in de hand, kon aangeven dat het om familiebezit ging. Ze werd opnieuw twee jaar naar de gevangenis gestuurd. ‘Tony de la Guardia gaf opdracht dat men mij alle bezittingen zou afnemen want ik was een notoire contrarevolutionair. Toen ze hem later ter dood veroordeelden, heb ik er een borreltje op gedronken.’ (Op 13 juli 1989 werden generaal Ochoa en kolonel Antonio de la Guardia gefusilleerd op beschuldiging van betrokkenheid bij drugshandel, redactie.) Aida reageert kalmer als ik wanneer er plotseling aan de deur geklopt wordt. Het blijken vrouwen te zijn die het toch gelukt is hun woning te bereiken. Bij het weggaan, waarschuwt ze de vrouwen want er staan nog agenten van de geheime diens in de straat San Francisco. Ze vertelt me vervolgens wat haar overkwam in jaren tachtig. ‘Ik zat met mijn broer en mijn nichtje op een motor toen we werden aangereden door een militaire jeep. Ik en mijn nichtje bleven ongedeerd, maar mijn broer moest worden geopereerd en verloor zijn onderbeen.’ Dit soort incidenten overkwam haar vaker. Zat er opzet in het spel? ‘Ze lieten mijn broer aan de kant van de weg liggen in Santa Catalina y Mayía en pas nadat mijn nichtje zich voor een auto had geworpen en deze deed stoppen, werden we naar een ziekenhuis gebracht. Hij verloor zijn been en woont nu in het buitenland. Ik geloof dat ze me wilden ombrengen.’

p1050137cubareisoktober2011-68

Bijeenkomst in de woning van Aida Santan met o.a. dissidente protestantse activisten. Links boven: Kees van Kortenhof van Glasnost in Cuba

Waarom bent u ook niet weggegaan?
‘Als zoveel duizenden Cubanen hun land niet hadden verlaten, hadden we nu niet dit systeem gehad. Als zoveel ouders hun kinderen niet in vliegtuigen hadden gestopt tijdens de Operatie Peter Pan (het georganiseerde vertrek op initiatief van de katholieke kerk in Cuba van duizenden kinderen naar de VS in het begin van de revolutie, redactie) zouden we nu samen vechten.’

Dialoog
In 1978 nam Valdés Santana deel aan de unieke dialoog tussen de Cubaanse regering, de oppositie en de ballingengemeenschap. Ruim 3.600 politieke gevangenen kwamen toen vrij. Santana kreeg veel lof voor haar werk. Zo ontving ze de Internationale Prijs voor de Mensenrechten Marie Curie en het Diploma Lincoln-Marti Mensenrechten. Nu heeft zij zich als onafhankelijke kandidaat op de lijst  geplaatst voor Plataforma #Otro 18, dat wil deelnemen aan de komende verkiezingen voor de Poder Popular. Toen ik om half een haar woning verliet stonden er nog agenten in de straat San Francisco en zouden Juan Antonio Madrazo Luna en Marthadela Tamayo nog tot 6 uur opgesloten zitten in hun eigen woning.

Bron
* Yusimí Rodríguez López op de website 14ymedio, 22 september 2016

Familie Lansky eist Hotel Riviera op

De familie van de bekende Amerikaanse gangster Meyer Lansky wil dat de Cubaanse regering hen Hotel Riviera teruggeeft of hen financieel compenseert vanwege onteigening in 1959 door de regering van Fidel Castro. Lansky opende dit hotel in Havana in december 1957 dat werd beschouwd als het grootste casinohotel in Cuba en het meest extravagante.

lansky-cuba-riviera-casinoLansky speelde in de jaren vijftig een hoofdrol bij de verandering van Cuba in het Las Vegas van de Cariben. Hij opende casino’s die het symbool werden van de corruptie en criminaliteit in de periode van president Fulgencio Batista. Volgens Tampa Tribune wil de familie van de gangster nu compensatie ontvangen. ‘Het hotel is mijn oom wederrechtelijk afgenomen,’ aldus een kleinzoon van Lansky, Gary Rapoport, in de krant. ‘Cuba is mijn familie geld schuldig,’ voegt hij er aan toe. De inrichting van het hotel kostte in de jaren vijftig 8 miljoen dollar; op dit moment is het in handen van het Cubaanse leger.

riviera-hotel

Het Riviera-hotel nu

Compensatie
De bekendmaking van de familie vond plaats in de week waarin Washington en Havana gesprekken zijn begonnen over de compensatie van Amerikaanse bezittingen in de eerste jaren van de revolutie. Amerikaanse bedrijven en personen hebben compensatie-eisen ter grootte van 1,9 miljard dollar in gediend. Cuba wil op zijn beurt vergoedingen zien die zijn veroorzaakt door het Amerikaans embargo. De Cubaanse wet biedt de mogelijkheid tot compensatie voor genationaliseerde bezittingen, maar ‘relaties’ uit het Batista-regime zijn daarvan uitgesloten. Lansky zou financiële steun hebben gegeven aan de staatsgreep van Batista in 1952.

Bron
* Tampa Tribune, 8 december 2015

Meloenen of eenheid: Cubaanse vakbeweging onder Castro

Toen Fidel Castro op 1 januari 1959 aan de macht kwam, was de helft van de arbeidzame bevolking in Cuba lid van een vakbond. De Central de Trabajadores de Cuba (CTC) telde 1.200.000 leden en 33 beroepsfederaties. De vakcentrale was veelvormig en telde katholieke, communistische, socialistische en anarchistische leden en bonden. De achturige werkdag, een minimumloon, stakingsrecht en ontslagbescherming waren door inspanningen van de CTC al voor 1959 gerealiseerd. Naast de gewapende strijd van de Castro’s c.s. in de bergen, vormde het stedelijk verzet waar de vakbeweging deel van uit maakte, de kern van het verzet tegen dictator Batista.

Fidel Castro spreekt de bevolking van Havana toe in januari 1959

Fidel Castro spreekt de bevolking van Havana toe in januari 1959

In januari 1959 toen de rebellengroepen onder leiding van Fidel Castro Havana binnentrokken, werden alle 33 nationale hoofdkantoren van de Cubaanse vakbeweging door het stedelijk verzet bezet en werden de vakbondsleiders die Batista hadden gesteund weggejaagd. Het was tijd voor nieuwe – vrije, democratische en geheime – verkiezingen die in 1959 overal werden georganiseerd en die moesten uitmonden in het eerste revolutionaire vakbondscongres in november van dat jaar. Lokaal stond de merendeels anti-communistische Beweging van de 26ste Juli tegenover de sympathisanten van het communisme. De Beweging kwam bij haast alle lokale verkiezingen als winnaar uit de bus en de communisten werden afgerekend op hun aarzelende steun aan het verzet. Had de partij de eerste gewapende actie van Castro in 1953 met de aanval op de Moncadakazerne niet afgedaan als ‘avonturisme van rijke burgermanszonen?’ Zelfs in de voedingsbond en de textielbond kregen de communisten weinig steun. Bij de bond voor suikerrietarbeiders bleken slechts 15 van de 9.000 gedelegeerden te sympathiseren met de communistische partij PSP.

Eenheid
Op 18 november 1959 hield de vakcentrale CTC haar eerste nationale congres. Van de 3.200 afgevaardigden waren er 200 communisten. De overige 3.000 maakten deel uit van de revolutionaire Beweging van de 26ste Juli. Het leek erop alsof de communistische partij PSP geen beduidende rol meer zou spelen in de Cubaanse vakbeweging. Maar Fidel Castro besliste anders. In toenemende mate was zijn afkeer voor partijcommunisten veranderd in waardering  voor de steun van de PSP. Bovendien kon hij de organisatie en de mobilisatiekracht van deze partij goed gebruiken. Tweemaal voerde hij tijdens het vakbondscongres het woord. In zijn openingswoord benadrukte Fidel de noodzaak van Unidad / Eenheid en zei niets te voelen voor een verkiezingscircus. Citaat: ‘Het enige waar het hier omgaat is de onverbrekelijke solidariteit met de Revolutie. Is er hier één arbeider die het niet met ons eens is? De revolutie gaat boven alles.’ (…) ‘Elke verdeeldheid tijdens dit vakbondscongres zal vooral onze vijanden veel plezier doen.’ (…) ‘Tegenover de aanvallen van de vijanden moet er discipline zijn.’

ctc1-150x147Militairen op vakbondscongres
Maar de vakbondsafgevaardigden leken niet overtuigd. Zij waren immers gekomen om na jaren van dictatuur, vrij te spreken en te debatteren en in alle vrijheid hun stem uit te brengen. Toen bleek dat van de 33 vakbondsfederaties op het congres er 27 waren die geen communisten in het CTC-leiding wilden. Onder de 3.200 gedelegeerden brak groot tumult uit. Er werd  gevochten tussen de aanhangers van de communistische partij en de rest. ‘Unidad, unidad (eenheid)’, riepen de eersten. ‘Melones, melones (meloenen),’ antwoordden de leden van de Beweging van de 26ste Juli.  De communisten werden met watermeloenen vergeleken omdat deze groen van buiten (de kleur van het guerrilla-uniform) en rood van binnen zouden zijn. In de vroege morgen van 22 november keerde Fidel Castro in militair uniform naar het vakbondscongres terug, vergezeld van een groep bewapende militairen. ‘Dit is een schaamteloos spektakel,’ schreeuwde hij en voegde vervolgens de namen van drie communisten aan de kandidatenlijst van het 13 personen tellend bestuur van de CTC, toe. Castro legde uit dat deze toevoeging nodig was ter wille van de eenheid. De Cubaanse arbeiders waren in die periode van de revolutie dol op Fidel Castro en gaven hem wat hij vroeg, maar ze zouden hun onafhankelijke vakbonden nooit opgeven en dat werd Che, Raúl en Fidel ook duidelijk gemaakt. De drie extra toegevoegde kandidaten werden bij de eerste stemming verslagen. Toen diende Fidel Castro opnieuw een lijst in waarop de namen van de drie verslagen communisten ontbraken, maar ook die van Reinol González, die in 1959 tot internationaal secretaris van de CTC was benoemd. Hij had een van de algemene stakingen tegen Batista geleid en was anticommunist. Hij kwam voort uit de Cubaanse afdeling van de Katholieke Arbeidsjongeren (KAJ). Tegenover deze overmacht moest het congres wel capituleren. Voor elke functie werd nu één kandidaat voorgedragen en de verkiezingen vonden met handopsteken plaats. Tijdelijk voorzitter werd de socialist David Salvador.

Reinol González bezocht in 1977 met zijn vrouw Teresita Nederland. Zij waren de gast van CLAT Nederland. Hij sprak over zijn Cubaanse ervaringen met CNV, FNV en Amnesty International. González was in Cuba actief in de Juventud Obrera Católica (JOC), de Cubaanse afdeling van de internationale kajottersbeweging KAJ.

Reinol González bezocht in 1977 met zijn vrouw Teresita Nederland. Zij waren de gast van CLAT Nederland. Hij sprak over zijn Cubaanse ervaringen met CNV, FNV en Amnesty International. González was in Cuba actief in de Juventud Obrera Católica (JOC), de Cubaanse afdeling van de internationale kajottersbeweging KAJ.

Gevangenis en strafkampen
David Salvador trad in mei 1960 terug als secretaris-generaal van de CTC uit protest tegen de overname van het vakbondsapparaat door de communisten. Enkele maanden later werd hij gearresteerd en veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf. David Salvador kwam door bemiddeling van de Colombiaanse schrijver en vriend van Castro, Gabriel Marquez  vervroegd vrij en verliet Cuba. Reinol González zou 17 jaar gevangen zitten en in 1977 ook door tussenkomst van Gabriel Marquez vrij komen. In november 1960 was de communistische vakbondsbureaucraat Lazaro Peña, benoemd tot de nieuwe secretaris-generaal van de CTC. Hij was dat al eerder geweest, namelijk in 1939 toen de Cubaanse communisten met Batista samenwerkten. De droom van een vrije vakbeweging in een revolutionair Cuba was voorbij. Die vrije vakbeweging was ook niet meer nodig, volgens de huidige Cubaanse president Raúl Castro die in de beginjaren van de revolutie de Cubaanse werknemers trachtte te overtuigen met ‘de beste vakbond is de Staat – de arbeiders hebben geen vakbonden nodig als zij een bevriende regering hebben, HUN regering, die hen beschermt’.

Kees van Kortenhof

Deze tekst verscheen in juli 2015 op de website van de Vrienden van de Vakbondshistorie VHV. De auteur is ook bestuurslid van de VHV.

Er zijn geen toverformules voor de problemen van Cuba (1)

‘De grootste fout die we maakten was te geloven dat de opbouw van het socialisme garant stond voor ontwikkeling,’ zei een van Cuba’s meest gerespecteerde economen van dit moment tegen de journalist Fernando Ravsberg. Hij beschrijft op zijn website Cartas desde Cuba dat de Cubaanse problemen niet met toverformules, noch met politieke etiketten kunnen worden opgelost. Hier volgt in twee delen zijn tekst.

Staatswinkel waar de producten van de rantsoeneringskaart verkrijgbaar zijn

Staatswinkel waar de producten van de rantsoeneringskaart verkrijgbaar zijn

Dat idee keert namelijk terug in de houding van veel Cubanen tegenover de toekomst van het land. Je ziet het bij hen die het socialisme beschouwen als een toverformule, maar ook bij hen die geloven dat het kapitalisme alle problemen in het land zal oplossen. Sommigen denken dat zonder het embargo van de VS, het Cubaans socialisme automatisch levensvatbaar zal zijn. Aan de andere kant kennen we mensen voor wie het particuliere bezit de sleutel tot het succes is. Het is de gedachte dat men gelooft dat een van beide systemen zelf de toekomst van het land zal bepalen.

Tweemaal gefaald
De waarheid is dat in een tijdsbestek van één eeuw een klein land als Cuba al tweemaal deze beide systemen meemaakte en in beide keren was het een mislukking. Cubaans kapitalisme schiep veel rijkdom, maar deed dit op basis van brute ongelijkheid en tegen de achtergrond van extreme armoede op het platteland. De ongelijkheid was zo dominant dat het politiek programma van Fidel Castro, uitgesproken in zijn toespraak History Will Absolve Me, sterk gericht was op meer sociale rechtvaardigheid en een eerlijkere verdeling van de rijkdom. Kapitalisme was in Cuba in vele opzichten een mislukking. Men leze daarvoor het rapport dat in 1957 werd gepubliceerd door de Katholieke Studentenbond: over ondervoeding, ongeletterdheid, gebrek aan medische voorzieningen en de schrikbarende sanitaire situaties waar heel veel Cubanen mee te maken hadden. Het geweld in de Cubaanse samenleving bereikte zo’n omvang dat de president van de Republiek zich gedwongen zag een pact te sluiten met lokale gangsters en een andere machthebber met de Amerikaanse maffia, die daardoor binnen Cuba in absolute vrijheid konden opereren.

Nixon met Batista (r): Weinig landen waren zo afhankelijk van de Amerikanen als Cuba

Nixon met Batista (r): Weinig landen waren zo afhankelijk van de Amerikanen als Cuba

Democratische farce
Het ‘democratisch systeem’ dat over vijftig jaar kapitalisme was gelegd, was een farce. Er was hooguit 10 jaar sprake van normaal functioneren tegen 40 jaar ongrondwettelijkheid en 30 jaar lang was er het Platt Amendment dat de grondwet wurgde en buitenlandse invasies en diverse coups vergemakkelijkte. Cuba was geen voorbeeld van een staat met nationale soevereiniteit. De afhankelijkheid van de VS was zo groot dat een Amerikaanse ambassadeur ooit bij zijn Ministerie van Buitenlandse Zaken om overplaatsing verzocht. Hij zei doodmoe te zijn van al die Cubaanse politici die van alles deden zonder hem eerst consulteren.

Bron
* Fernando Ravsberg op zijn website Cartas desde Cuba, 27 augustus 2015

Verzoener, econoom en dissident Oscar Chepe overleden

Vanochtend overleed in een Madrileens ziekenhuis de Cubaanse dissidente econoom Oscar Espinosa Chepe (1940 – 2013). Chepe was ooit Cubaans diplomaat in dienst van de Castro’s. Hij studeerde economie aan de Universiteit van Havana. In de jaren zestig was hij werkzaam bij het Landhervormingsinstituut (INRA), bij het Cubaans Centraal Planbureau en van 1965 tot 1968 was hij lid van de Economische Adviesgroep van Eerste Minister Fidel Castro.

Oscar Chepe en Miriam Leiva

Oscar Chepe en Miriam Leiva

Chepe: ‘In 1968 werd ik naar het platteland gestuurd om in de landbouw te werken. Reden was dat ik op het werk had duidelijk gemaakt van mening te verschillen over enkele economische kwesties in het land.’ Hij was daarna 14 jaar werkzaam  op de Cubaanse ambassade in Belgrado en was daar verantwoordelijk voor de samenwerking tussen Cuba en de Comeconlanden. In 1984 keerde hij naar Cuba terug, maar kwam steeds vaker in botsing met het regime. In Oost Europa leerde hij ook zijn echtgenote Miriam Leiva kennen die daar werkzaam was als Cubaans diplomate. In 1996 verloren beiden hun baan en werd Oscar tijdens een verhoor door de politieke politie ‘contrarevolutionair’ genoemd.

Oscar Chepe en Kees van Kortenhof

Oscar Chepe en Kees van Kortenhof

Kees van Kortenhof (voorzitter van Glasnost in Cuba) sprak hem veelvuldig tijdens zijn bezoeken aan Cuba en stelde het volgende artikel samen naar aanleiding van Chepe’s dood.

Chepe: ‘Tussen 1984 en 1987 was ik economisch adviseur in de Cubaanse ambassade van Joegoslavië. Daar leerde ik nieuwe socialistische economische theorieën kennen van mannen als Lieberman, Havemann, Medwejew en Luckacs. Oost-Europa was volop in beweging, de perestrojka en glasnost kwamen op en Gorbachov was inmiddels premier van de Sovjet Unie geworden. Toen ik in 1987 na een vakantie in Cuba naar Joegoslavië wilde terugkeren, werd me dat verboden’. In 1992 werd het eerste politiek proces tegen Chepe gevoerd en werd hij bestempeld als ’een contrarevolutionair sujet.’ Vier jaar later verloor hij zijn job en publiceerde vervolgens een aantal artikelen over de Cubaanse economie in de onafhankelijke pers en op diverse websites. In 2003 verscheen in Spanje zijn boek Crónica de un desastre / Kroniek van een Ramp en later Cuba, revolución o involución (2007) en in 2011 Cambios en Cuba: pocos, limitados y tardíos / Veranderingen in Cuba: weinig, klein en te laat. Ook had hij een programma op Radio Marti Charlando con Chepe / Spreken met Chepe.

Maart 2013: Oscar Chepe wordt weggevoerd door de geheime politie

Maart 2003: Oscar Chepe wordt weggevoerd door de geheime politie

Groep van 75
Op 19 maart 2003 was Oscar Chepe een van de 75 dissidenten die gevangen werden
genomen. Tijdens een proces een maand later werd hij ervan beschuldigd ‘activiteiten tegen de integriteit en de soevereiniteit van de Staat’ te hebben ondernomen.’ Hij zou geld van de Amerikaanse regering hebben geaccepteerd en er zouden 13.600 dollar in een van de zakken van zijn jas zijn gevonden. Chepe werd tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Zijn vrouw, de onafhankelijk journaliste Miriam Leiva, zei dat hij daar 40 kilo aan gewicht was verloren en dat hij gevangen zat in een cel zonder ramen en zonder stromend water. Miriam werd actief in de beweging van de Damas de Blanco, die de vrijlating van hun gearresteerde familieleden wilde; de vrouwen woonden elke zondag de mis bij in de kerk van Santa Rita in Havana. Op 29 november 2004 werd Oscar Chepe na een gevangenschap van 19 maanden, samen met de dichter-journalist Raúl Rivero vrijgelaten. Gezondheidsredenen speelden daarbij een belangrijke rol.

9095.2.3626.2 001Veranderingen
Oscar Chepe was aanvankelijk gematigd optimistisch over de veranderingen die Raúl Castro wilde invoeren: ‘Raúl heeft natuurlijk niet de status van iemand als Fidel die een soort mythe is geworden. Maar we moeten het met Raúl doen. Hij is pragmatischer en minder ideologisch bezeten als zijn broer. Kijk naar de toespraak van Raúl op 26 juli vorig jaar. Hij sprak over de ramp in de landbouw. Hij wenst andere relaties met de VS. Inmiddels zit ėėn van de beste Cubaanse diplomaten Jorge Bolaños in de VS. Hij benoemt dingen die wij vanuit de oppositie ook steeds hebben gezegd.’  Chepe zette toen echter ook al een kanttekening: ‘Elk juridisch kader voor deze versoepelingen ontbreekt en dat betekent dat de hoopvolle signalen ook ieder moment weer gesmoord kunnen worden.’

Cuba aan de afgrond
In 2012 en dit jaar waarschuwde hij Raúl Castro voor het maken van nieuwe fouten en sprak zich uit voor de snellere uitvoering van de maatregelen. ‘Deze regering wekt de indruk dat het land verandert, maar het land bevindt zich op de rand van de afgrond.’ Hij verwees daarbij naar de afhankelijkheid van Cuba van het olierijke Venezuela. Dat land voorziet Cuba jaarlijks van 10 miljard dollar en dat is een aanzienlijk deel van de begroting die 61 miljard omvat. Hij geselde de Cubaanse regering omdat zij zich onvoldoende inspande de signalen van de nieuwe president Obama te beantwoorden vooral op het gebied van het reizen en hij was geschokt door de gevangenneming van de Amerikaanse burger Alan Gross in Havana.

Ook In Nederland werd actie gevoerd voor de vrijlating van Oscar Chepe en zijn 74 opgesloten collega. Hier een beeld van de demonstratie voor de Cubaanse ambassade in Den Haah in maart 1994

Ook In Nederland werd actie gevoerd voor de vrijlating van Oscar Chepe en zijn 74 opgesloten collega’s. Hier een beeld van de demonstratie voor de Cubaanse ambassade in Den Haag in maart 1994

Openhartig en direct
Oscar en Miriam waren open en direct; niet iedereen zowel in Havana als Miami, kon daarmee overweg. Drie jaar geleden noemde hij de hardliners in beide steden ‘de Taliban’. Dat kan de reden zijn dat beiden niet vaak werden genoemd in de kringen van de supporters van het Amerikaans embargo. Over de Cubaans-Amerikaanse Republikein Mario Díaz-Balart en zijn hardliners politiek, zei Oscar: ‘Als wij de politieke maatregelen van de hard-liners tegenover Cuba in Oost-Europa zouden hebben gevolgd, zouden we nog een Berlijnse Muur en zou de Bende van Vier in China nog steeds aan de macht zijn.’ Oscar Chepe was ervan overtuigd dat steun voor het Amerikaanse embargo de Cubanen in Miami de gijzelaar maakte van hun droom ooit terug te keren naar het Cuba van Batista in de jaren vijftig en hij verwierp hun kritiek op de leiding van de katholieke kerk in Cuba die via gesprekken en dialoog de vrijlating van politieke gevangen mede had mogelijk gemaakt.

Bloedige afloop
Houdt u rekening met een bloedig scenario?
Chepe: ‘Als het project van Raúl mislukt, valt dat niet uit te sluiten. Als de veranderingen uitblijven, groeit de frustratie. De keus is tussen hervormingen of chaos.’ (…) ‘Ik heb jarenlang geloofd in het paradijs van het socialisme, Cuba’. Vanwege die droom moest hij onder dictator Batista twee jaar lang dwangarbeid verrichten. De latere president van Cuba, Dorticos, was toen zijn advocaat. De machthebbers veranderden na 1959 van naam, maar gevangenissen bleven een vast onderdeel van het leven van Oscar Chepe. Oscar was een man van verzoening, die iedereen moest omvatten en hij bepleitte samenwerking tussen alle Cubanen die de gezinnen zou verenigen en die ‘een einde zou maken aan de animositeit in ons land die sinds 10 maart 1952 bestaat.’ *

Oscar Chepe in mei 2013

Oscar Chepe in mei 2013 in Madrid

Linken
Time Magazine publiceerde in juli een artikel ‘Terwijl het communisme zich hervormt, neemt het kapitalisme langzaam de roerend goedmarkt over’. Oscar Chepe komt in dit artikel ook aan het woord.

*  Op 18 april 2013 sprak Óscar Espinosa Chepe tijdens een bijeenkomst van de Fundación Hispano Cubana (Madrid) over de situatie in Cuba. Een maand eerder was hij in Spanje aangekomen samen met zijn vrouw Miriam Leiva voor een medische behandeling. Deel 1  (11 minuten) is evenals de overige delen op Youtube te zien.
* In gesprek met Oscar Chepe (Vimeofilm 12 minuten)

* Herdenkingsartikel vandaag op de website Diario de Cuba.

Noot
* Op 10 maart 1952 pleegde legerofficier Batista een staatsgreep, deze keer tegen president Socarras. De staatsgreep had plaats 3 maanden voor de verkiezingen, die hij zou verliezen, en ongeveer 20 jaar na zijn eerste staatsgreep. Voor die verkiezingen had zich een jonge advocaat, Fidel Castro, opgegeven, weliswaar niet voor de presidentsverkiezing maar voor een andere functie. De regering Batista werd door de VS goedgekeurd, kort hierop kondigde Batista, hoewel hij trouw had beloofd aan de Cubaanse grondwet, aan dat sommige rechten tijdelijk ingetrokken zouden worden en verbood eveneens het recht op staken.

Op zoek naar Celia Sánchez (deel 2)

Cubaans affiche: De vele gezichten van Celia Sánchez

Sinds ze in 1980 aan longkanker stierf, is Sánchez een icoon in Cuba. Zij wordt gezien als iemand die boven alles toegewijd was aan de idealen van de revolutie én aan Fidel Castro. Ze was nooit getrouwd en er is geen aanwijzing dat ze sinds de jaren vijftig een romance had. Castro is getrouwd met de moeder van zijn vijf zonen, Dalia Sotto del Valle en mensen in Cuba die haar hebben gekend, zeggen dat Celia niet de voormalige geliefde van Fidel was.

Celia (foto van Osvaldo Salas)

Gerespecteerd en vertrouwd. Zo werd Celia Sánchez een van de belangrijkste organisatoren van het gewapend verzet tegen president Fulgencio Batista. Maar in Miami vertelt de 92-jarige Huber Matos – de voormalige onderwijzer en een van Castro’s commandanten in de guerrillabeweging – , een ander verhaal: ‘Ik ging naar Costa Rica om wapens te zoeken voor de strijd in de Sierra Maestra. ‘Toen ik in 1959 terugkeerde, stond Celia Sánchez aan de zijde van Fidel Castro en realiseerde ik dat hun relatie niet louter politiek maar ook intiem was.’ (…) ‘Zij wekten de indruk dat het niet zo was, maar ik hoefde hen niet in bed te zien om te weten dat ze een relatie hadden die verder ging dan de politiek. Vandaag de dag wordt Huber Matos door de Cubaanse machthebbers als een onbetrouwbare man beschouwd. Hij is een afvallige ex-commandant die 20-jaar in de gevangenis doorbracht vanwege verraad en opruiing. Daar staat tegenover dat Matos onder Cubaanse ballingen in Miami als een held wordt beschouwd, die al in 1959 de groeiende communistische invloed bekritiseerde en betaalde voor zijn principes. Professor Andy Gomez, docent aan het Institute for Cuban and Cuban American Studies van de Universiteit van Miami, meent dat Fidel Castro altijd Celia Sánchez’ prioriteit was. ‘Fidel Castro wilde op de eerste plaats macht. En Celia wilde dat hij die positie zou behouden en geloofde echt dat iedereen die de positie van Fidel bedreigde, moest worden geëlimineerd.’(…) ‘Op de eerste plaats ging het haar om de relatie met Fidel, ’voegt hij er aan toe ‘en ten tweede wat ze met  Cuba wilde.’

Miami versus Havana
Het verhaal over Fidel en Celia bewijst opnieuw hoe de geschiedenis van de Cubaanse revolutie verscheurd wordt door de loyalisten op het eiland en de anti-Castroballingen in de VS.  Volgens de historicus Tiffany Sippial van de Auburn Universiteit in Alabama, is het de afwezigheid van getuigenissen die beide zijden de gelegenheid biedt eigen verhalen te construeren. ‘In Cuba leidt het tot de vaststelling dat Fidel Castro en Celia Sánchez enkel waren gefocust op het revolutionaire project.’(…) ‘In Miami is een mogelijk seksuele relatie tussen beiden een middel om iets af te doen aan de heiligheid van hun politieke betrokkenheid.’ Maar wat aan geen van beide zijden wordt betwist, is het belang van de relatie tussen beiden en de onbetwiste positie van Celia Sánchez in het epicentrum van de macht in Cuba.

Link
*
BBC World


Bron
*
Deze tekst is afkomstig van Linda Pressly,  die een radioprogramma over Celia Sánchez maakte voor BBC Radio 3, dat op 11 december 2011 (19.45 GMT) werd uitgezonden. Helaas is de uitzending zelf niet meer te beluisteren.

Levensloop
1920: Geboren in Media Luna, Oriente, Cuba
1953: Celia sluit zich aan bij de 26ste Juli Beweging van Fidel Castro
1957: Eerste ontmoeting met Fidel Castro
1959: Intocht van de guerrillabeweging in Havana onder leiding van Fidel Castro. Zij wordt zijn belangrijkste medewerker
1963: Invoering van het ‘heropvoedingsprogramma’ voor de gezinnen die zich tegen het Castroregime verzetten
1964: Celia richt het archief van de revolutie op in Havana
1971: Celia begeleidt Fidel Castro naar Chili na het herstel van de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen
1976: Celia begint een studie sociale wetenschappen
1977: Celia begeleidt Fidel Castro naar Angola waar Castro als een held wordt binnen gehaald
1979: Celia leidt de bouw van het congrescentrum Palacio de Convenciónes in Havana om daar de Beweging van Niet-Gebonden Landen te ontvangen
1980: Celia sterft aan longkanker.

Op zoek naar Celia Sánchez (deel 1)

Maar weinigen twijfelen aan de sleutelrol die de vrouwelijk revolutionair Celia Sánchez heeft gespeeld in het leven van de Cubaanse leider Fidel Castro. Dertig jaar na haar dood wordt de intensiteit van die relatie nog steeds bediscussieerd. Celia Sánchez stond twintig jaar lang in het centrum van de Cubaanse revolutie en werd na haar ontmoeting in 1957 met Fidel Castro zijn onmisbare en belangrijkste medewerker. Morgen 1 januari is het 53 jaar geleden dat de Cubaanse revolutionairen hun overwinning behaalden en dictator Batista het land ontvluchtte. Op 11 januari 2012 is het 32 jaar geleden dat Celia Sánchez overleed aan longkanker. Zij werd ooit door Fidel Castro omschreven als ‘de meest oorspronkelijk bloem van de revolutie.’

1957: de eerste foto van Castro en Sánchez samen

Tijdens haar leven waren er al geruchten over een liefdesrelatie tussen beiden, maar de twee negeerden deze berichten en buiten Cuba is er – ook na haar dood in 1980 – weinig geschreven over de rol van Celia Sánchez. De eerste foto van Sánchez en Castro samen dateert van 1957, maar Sánchez speelde toen al een hoofdrol in zijn leven. De voormalige rebellencommandant Hubert Matos Former zei: ‘Ik hoefde hen niet in bed gezien te hebben om te weten dat hun relatie verder ging dan de politiek.’ Toen Fidel Castro in december 1956 vanuit Mexico met de boot Granma in Cuba aan land ging –  een rampzalige operatie want hij verloor de meerderheid van zijn mensen – zou het clandestiene netwerk van boeren, opgezet door Sánchez, bepalend zijn voor de kansen van de rebellen.

Jeugdfoto van Celia Sánchez

Artsendochter
Celia Sánchez Manduley werd in 1920 geboren en groeide op in de suikerstad Media Luna, in het tropische oosten van Cuba in de provincie van Oriente. Haar moeder stierf toen ze jong was en ze had een nauwe relatie met haar vader, dokter Manuel Sánchez Silveira. Hij was een ontwikkelde man en betrokken bij de liberale Partido Ortodoxo. Celia Sánchez leerde door hem de politiek kennen en als zijn assistent maakte zij kennis met de gevolgen van de extreme armoede voor zijn patiënten. Zij werd ook bekend in de regio en haar lokale contacten zouden later onbetaalbaar blijken. Toen Fulgencio Batista in 1852 voor de tweede maal via een coup de macht overnam was Sánchez – net zoals miljoenen andere Cubanen – woedend. Zij was ervan overtuigd dat de dictatuur alleen met geweld zou kunnen worden verdreven en begon met de organisatie van het verzet.

Celia Sánchez en Che Guevara (R) werden goede vrienden. Toen Che Guevara Cuba verliet voor zijn wat later zijn laatste reis zou worden, gaf hij Celia Sánchez zijn baret als aandenken


Strijd

In juli 1953 organiseerde Fidel Castro zijn eerste gewapende aanval op Batista en viel hij de Moncada- kazerne aan in Santiago. Sánchez sloot zich toen aan bij de 26e Juli Beweging van Castro. Toen hij terugkeerde uit ballingschap uit Mexico, organiseerde zij de aanvoer en levering van wapens aan de rebellen in de  Sierra Maestra, recruteerde vrijwilligers en was een van zijn belangrijkste contactpersonen. In 1957 was Sánchez in het Cuba van Batista de meest gezochte vrouw. Toen het op het platteland voor haar te gevaarlijk werd, sloot ze zich aan bij Fidel Castro in de bergen van de Sierra Maestra. Op de commandopost La Plata beheerde zij de voorraden voedsel, kleding en wapens, allemaal bedoeld om de rebellen bij hun guerrillastrijd te steunen. En nooit week zij van Castro’s zijde.

Nidia Sarabia en brigadier-general Tete Puebla werkten nauw samen met Celia Sánchez

Celia als archivarus
Ook deed ze mee aan de strijd. Voormalig brigade-generaal van de rebellen, Tete Puebla, was 15 toen zij Sánchez in de Sierra Maestra ontmoette. ‘Het eerste gevecht waar Celia aan mee deed, vond plaats bij Uvero in mei 1957. Het was een harde actie. Het was de tijd waarbij de mannen van Batista nog een groot deel van de Sierra beheersten.‘ (…) ‘Zij bombardeerden en doodden veel boeren.’ Sánchez speelde een leidende rol. ‘Zij was verantwoordelijk voor gebieden waar soms 40 tot 50 mensen stierven. Soms verbrandden ze alle huizen in de streek en wisten mensen niet waar ze moesten wonen. En  naast al haar andere verantwoordelijkheden, zorgde Celia ook voor deze gezinnen,’ aldus Tete Puebla.

Celia Sánchez met Fidel Castro (midden) en andere revolutionairen in de bergen van de Sierra Maestra

Sleutelpositie op alle gebieden
Celia Sánchez controleerde alle toevoer van voedsel, kleding, geld en wapens voor de rebellen. Ze werd de ‘de peettante’ van de Sierra Maestra en van Oost-Cuba genoemd. Toen Castro in 1959 aan de macht kwam, werd Sánchez zijn belangrijkste medewerker en werkte zij met hem samen tot haar dood. Zij was verantwoordelijk voor veel revolutionaire projecten zoals de ‘heropvoeding’ van gezinnen die betrokken waren bij de strijd tegen Castro, bij de aanleg van parken en zij stond garant dat er altijd Cubaans ijs te koop zou zijn. Celia leidde al deze zaken. In Cuba wordt dit vaak gepresenteerd alsof Celia als trouwe medewerker vorm gaf aan de ideeën van Fidel Castro. Of ze ook zelf politieke ideeën ontwikkelde, bijvoorbeeld over de Cubaanse rakettencrisis, is onbekend. Castro heeft in deze zin nooit over haar rol gesproken. En zover bekend hield zij geen dagboek bij. Celia Sánchez was zich wel bewust van het historische belang van allerlei documenten. Tijdens haar verblijf in de Sierra Maestra, bewaarde ze elke snipper papier, elke dienstorder die ze kon redden, bedoeld voor het historisch archief van de revolutie. Nidia Sarabia herinnert zich hoe ze Sánchez hielp bij het archief in de jaren zestig: ‘Ze bewaarde alle papieren, zelfs als ze gebombardeerd waren met napalm. Ze was van mening dat elk stukje papier van een rebellensoldaat of een half-gealphabetiseerde boer van vitaal belang was.’ ‘Het was een van de meest waardevolle en gekoesterde idealen die ze had, ’zegt Sarabia. ‘En niemand anders wist ervan – misschien Fidel niet eens – want niemand bij de leiders van de revolutie had er gedacht deze papieren te bewaren.‘

Fangio’s ontvoerder (1958) in Havana overleden

In 1992 ontmoetten Rodríguez Camps en Fangio (links) elkaar opnieuw. De coureur overleed in 1995

Op 80-jarige leeftijd is Arnold Rodríguez Camps overleden, aldus de officiële Cubaanse media. Camps was lid van de 26e Juli Beweging van Fidel Castro en nam in februari 1958 deel aan de kidnapping van de Argentijnse autocoureur en tweevoudig wereldkampioen Juan Manuel Fangio.

Juan Manuel Fangio ontmoet één dag voor zijn ontvoering de toenmalige president Batista

Dat jaar nam  de populaire Fangio deel aan de Grand Prix van Cuba. De ontvoering moest bijdragen aan de populariteit en bekendheid – vooral in het buitenland – van de guerrillabeweging van Fidel Castro. Vier dagen na de races  werd Fangio ongedeerd vrijgelaten. Een jaar later zou Fidel Castro aan de macht komen. Ondanks de populariteit van het autoracen onder de Cubanen, zouden die nooit meer plaatsvinden: de sport werd door de nieuwe machthebbers ‘bourgeois’ geacht.

Linken
* Motorsport met Engelstalig verslag van de gebeurtenissen in 1958 
* 14 minuten speelfilm Operación Fangio