‘Rode ambassadeur’ Coen Stork overleden

De progressieve oud-diplomaat Coen Stork, die ook wel de ‘rode ambassadeur’ werd genoemd, is gisteren op 89-jarige leeftijd overleden. Stork was in zijn ruim dertig jaar lange diplomatieke carrière onder andere diplomaat in Zuid-Afrika en ambassadeur op Cuba en in Roemenië. Tijdens de opstand tegen de Roemeense dictator Ceausescu nam hij het openlijk op voor dissidenten.

Schiphol26032004 005

Coen Stork

Stork, nazaat van de industriële Stork-familie, overleed in Amsterdam. Hij was al enige tijd ziek. Een van de hoogtepunten van zijn  diplomatieke loopbaan maakte Stork al in zijn jonge jaren mee.Hij was begin jaren zestig, samen met twee Amerikanen, officieel waarnemer bij het proces tegen de zwarte Zuid-Afrikaanse leider Nelson Mandela. De drie waren toen een paar van de weinige diplomaten die aanwezig waren bij het proces. De leider van het ANC werd uiteindelijk wegens samenzwering tegen het apartheidsregime veroordeeld tot levenslang.

‘A wonderful friend’
Mandela bedankte hem per brief voor zijn aanwezigheid. Die brief koesterde Stork decennialang, zo zei hij vier jaar geleden. Stork kreeg de brief op 11 juni 1964, op de dag van het vonnis in het zogeheten Rivoniaproces. ‘To Coen Stork, a wonderful friend’, schreef Mandela in zijn dankwoord. ‘Mandela bedankte mij voor mijn voortdurende aanwezigheid in de rechtbank’, zei Stork in 2013 tegen de Volkskrant. ‘Dat is het mooiste wat ik ooit heb gekregen in mijn buitenlandse carrière. We zaten daar om verdachten te steunen en te voorkomen dat er onregelmatige dingen zouden gebeuren. Buitenlandse Zaken had nauwelijks van Mandela gehoord. Godzijdank was de oude ambassadeur net vertrokken. De nieuwe keek normaal tegen de apartheid aan en van hem kreeg ik alle ruimte om het proces op de voet te volgen.’ Na zijn periode in Zuid-Afrika werd Stork als diplomaat uitgezonden naar onder andere Parijs, Madrid, Vietnam, Helsinki, Buenos Aires en Londen. In Madrid maakte hij de Franco-tijd mee en in Argentinië de periode van de militaire regimes. In 1982 schopte Stork het eindelijk tot ambassadeur, op Cuba. Hij bleef daar vijf jaar lang Nederlands hoogste diplomaat.

Herschaalde kopie van Schiphol26032004 018

Actie op Schphol in verband met boeken voor Cuba, 26 maart 2004. Naast Coen Stork, de toenmalige voorzitter van het CNV, Doekle Terpstra.

Coen Stork over zijn tijd als ambassadeur op Cuba
‘Misschien had ik kritischer moeten zijn. Ik vind het moeilijk daarop te antwoorden.’ Zijn laatste post was eind jaren tachtig in Roemenië. Stork maakte daar in 1989 de opstand en later de val mee van dictator Nicolae Ceausescu. Ook in deze periode liet Stork zien dat hij niet neutraal aan de zijlijn wilde staan. Zo nam hij het op voor tegenstanders van Ceausescu. De Roemeense veiligheidsdienst legde toen een vuistdik dossier over em aan.

De Rode Ambassadeur
In 2012 verschenen zijn memoires over de 35 jaar die hij diende in de diplomatieke dienst, onder de toepasselijke titel De Rode Ambassadeur. ‘In het begin vond ik het ook vervelend’, zo zei Stork in 2013 in de Volkskrant over de revolutionaire bijnaam die hij had gekregen. ‘Zo rood ben ik niet, al ben ik dan lid van de PvdA en is dat een zeldzaamheid in de Buitenlandse Dienst. Later kon het me minder schelen.’ Hij bekende toen, terugkijkend, dat hij als ambassadeur op Cuba wellicht wat kritischer had moeten zijn over het bewind van Fidel Castro.Steenhuis_De rode ambassadeur Stork: ‘In Havana heb ik ongelofelijk veel mensen over de vloer gehad, schilders, schrijvers, ook wel journalisten. Waar ik ook was, ik heb altijd kunstenaars opgezocht en ik vond het fijn dat ik mensen een plezier kon doen. Met de revolutie hadden de Cubanen hun cafés verloren. En dat zwembad lag er, de drank stond in de kast. Misschien had ik kritischer moeten zijn. Ik vind het moeilijk daarop te antwoorden.’

Bron
* De Volkskrant, 23 oktober 2017

Coen Stork: de andere ambassadeur

Coen Stork was van 1982 tot 1987 Nederlands ambassadeur in Cuba. Van 1988 tot 1993 zou hij ambassadeur worden in Roemenië en maakte daar de val van dictator Ceaușescu mee. Vorig jaar keerde hij naar Cuba terug, samen met fotograaf Kadir van Lohuizen om te kijken of er veel veranderd was in een kwarteeuw. In het NRC Magazine constateerde hij toen: ‘De Cubanen worden doodmoe van de schaarste en de beperkingen’. Deze week komt bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep zijn boek De rode ambassadeur uit met zijn ervaringen als diplomaat in dienst van het Koninkrijk der Nederland, opgetekend door Peter Henk Steenhuis. Kees van Kortenhof, eindredacteur van de Cubaweblog, sprak met hem over zijn Cubaanse jaren.

Hoe zag een dag uit het leven van de Nederlandse ambassadeur in Havana er dertig jaar geleden uit?

‘Ik heb net mijn agenda’s uit die vijf jaar dat ik in Cuba zat nog eens doorgenomen. Daar staat op zich niet veel interessants in, maar het geeft wel een goed beeld van wie ik op zo’n dag zag. De eerste maanden als ambassadeur op een dergelijke nieuwe post gaan voornamelijk heen met het brengen van kennismakingsbezoeken aan lokale autoriteiten, aan een aantal ministers met wie je denkt te maken te krijgen en het ontmoeten van de Nederlanders daar, maar dat waren er toen niet veel. Wel waren er regelmatig bezoekende Nederlandse ondernemers zoals die van het smeermiddelenbedrijf Castrol. Dat bedrijf had zijn naam natuurlijke mee. Directeur Jan Klaver en zijn vrouw heb ik bijvoorbeeld regelmatig gesproken. De bezoeken aan collega’s heb ik altijd heel serieus genomen, zowel in Cuba als in Roemenië. Sommige collega’s hadden de gewoonte om bijvoorbeeld ambassadeurs uit Afrika over te slaan. Ik deed dat niet hoewel het soms moeilijk is. Je weet niet altijd wat je met bijvoorbeeld de ambassadeur van Mali moet bespreken. Maar ik wilde niet discrimineren. De Britten zijn belangrijker dan de man uit Kenia, maar ook zulke bezoeken leverden soms iets op. Ik bezocht ook alle Oost-Europeanen. En verder maakte ik gebruik van een beproefde infiltratiemethode door overal te verschijnen en elke uitnodiging aan te nemen op cultureel gebied: congressen, presentaties, boeken, filmpremières, tentoonstellingen en festivals en mijn belangstelling te tonen. Een belangstelling die ik trouwens in werkelijkheid ook had. En dat levert dan al snel een vrij grote kring van kennissen, vrienden en vriendinnen op.’

Ontmoeting in Amsterdam  op 8 maart 1993 tussen Coen Stork en de uitgeweken dichteres Maria Elena Cruz Varela*

Uw woning in Havana stond bekend als een zoete inval bij uitstek in Havana. Wekte dat geen achterdocht bij de autoriteiten?

‘Ik beschikte in Cuba voor de eerste maal over een eigen ambtswoning met een zwembad en een leuk terras en dat heeft natuurlijk in een land met veel schaarste zijn aantrekkingskracht: praten, eten, drinken en zwemmen. Of de geheime dienst zich daarin mengde, weet ik niet. Ik herinner me wel dat op een van die zaterdagmiddagen de schrijver Pablo Armando Fernández, toen ook al een trouwe aanhanger van de revolutie, naar mij toe kwam en vroeg: ‘Wie is die man die daar in die hoek staat?’ Het was een ongeveer 30-jarige man die niet zo goed paste in het culturele milieu dat toen aanwezig was. Hij had ook een wat vreemd guayabera-overhemd aan en ik kende hem ook niet. Schertsend zei ik tegen hem dat hij van de geheime dienst was en Pablo Armando reageerde met: ‘Och ja, zo ziet hij er ook wel uit.’

Op dit moment is er sprake van een Europese coördinatie rond het mensenrechtenbeleid in Havana. Hoe was dat in uw tijd?
‘Zo’n Europees beleid bestond toen niet en ook Den Haag was onduidelijk op dat gebied. Ik kreeg ook nauwelijks instructies mee en er was geen inwerkperiode. Ik moest me vooral buigen over economische kwesties en had daarover contacten met Jan van Wissen van de toenmalige Economische Voorlichtingsdienst. Maar op politiek en mensenrechtenbeleid hoorde ik niets. Je moet wel bedenken dat dat ook te maken had met de krappe bemensing van onze ambassade; twee diplomaten en een kanselier. De Amerikanen en de Engelsen hadden veel meer mensen. Ik maakte op de Amerikaanse ambassade in Zuid Afrika een militaire attaché mee die zelfs Afrikaans sprak. Maar met de mensenrechtenactivist Elizardo Sánchez had ik contacten. Ook de aanwezigheid van twee Antilianen in de gevangenis Combinado del Este leverde me wel informatie op. Zij werden verdacht van fraude bij een koffietransactie en ik zocht hen regelmatig op. Na hun vrijlating logeerden ze enkele dagen in mijn huis en met de namenlijstjes van gevangenen die ik kreeg van collega-ambassadeurs, kon ik dat enigszins checken. Dat deden we maar in de tuin om afluisteren te voorkomen.’

Gasten zonder functie
‘Mijn Cubaanse vrienden hebben nooit problemen gekregen door hun bezoeken. Ik denk dat de redenering was ‘als de Nederlandse ambassadeur het nu leuk vind om Cubaanse schrijvers en schilders te leren kennen, laat hem dan.’ Ik herinner me nog een keer dat de journalist Luis Baez op bezoek was. Hij wordt wel ‘het geheugen van de revolutie’ genoemd. Hij had alles meegemaakt en was onvoorwaardelijk trouw, en kwam met een duidelijke boodschap toen hij mij vroeg: ‘ Waarom nodig je ook mensen uit die niks betekenen en geen functie hebben?’ Ik antwoordde: ‘Geen functies hebben? Ik vraag mensen omdat ik ze leuk vind, of omdat ze intelligent of interessant zijn of speciale eigenschappen hebben. En daar zal ik ook mee door gaan. Het is de enige boodschap van deze soort geweest. In Roemenië kreeg ik dergelijke waarschuwingen wel vaker. Ik herinner me nog dat Baez heimelijk enkele dure Havana’s in zijn borstzakje stopte en dat mijn collega hem bij afscheid zo enthousiast en intens omhelsde, dat al die sigaren vergruizeld moeten zijn. Maar iemand als Alfredo Guevara, een trouwe communist en strijdmakker van Fidel, waardeerde het juist wat ik deed. Ik ontving ook veel buitenlandse journalisten en sprak met hen. Soms waren die doorgestuurd door collega-ambassadeurs. Die wilden zich liever aan de vuistregel in de diplomatie houden dat je eerst contact met je land opneemt, voordat een journalist met je praat. Ik ontving ze vrij gemakkelijk en ik vond die vuistregel getuigen van wantrouwen in je eigen mensen. Je bent toch niet helemaal gek.’

Dilemma’s
‘U vermeldt in het boek een discussie met een vriend, de NRC-hoofdredacteur André Spoor, die u verwijt een ambivalente houding aan te nemen tegenover de mensenrechtenschendingen. Zelf noemt u het ‘kiezen uit twee kwaden en als ik destijds gedwongen zou zijn te kiezen, zou ik het niet geweten hebben.’

Boekenactie op Schiphol (maart 2004) samen met toenmalig CNV-voorzitter Doekle Terpstra

‘Ik blijf dat moeilijk vinden en ik heb me destijds laten leiden door wat andere Latijns-Amerikanen op bezoek in Havana, me vertelden. Die stonden werkelijk versteld over de situatie in Havana. Ik kende de rest van Latijns Amerika niet. Zij kwamen op congressen in Cuba en zagen de bekende verworvenheden zoals een dak boven het hoofd van iedereen, gratis doktersbezoek en gratis onderwijs. Dat waren grote verworvenheden die niet konden worden weggepoetst. Ik vroeg eens aan een bekende gekleurde balletdanseres, waar ze zou staan zonder revolutie en ze antwoordde dat ze dan nooit de top van het ballet had kunnen bereiken, die ze nu had bereikt. Dat waren belangrijke waarnemingen voor mij en die bevestigden mijn hoop. Het blijft een moeilijk dilemma. Ik heb er Harry Mulisch wel eens naar gevraagd toen ik enige tijd deel uitmaakte van zijn herenclub. Maar hij bleef het antwoord schuldig. Dat irriteerde me ook. Mulisch was pro-Fidel, dat mag, maar wat mij ergerde was dat hij geen antwoord gaf op zulke vragen, ook niet tijdens onze bijeenkomsten. Het was een van de redenen, om daar weg te blijven. Schendingen van mensenrechten moeten kritisch behandeld worden en serieus genomen worden. Dat deed ik in Havana maar ook op andere posten waar ik werkzaam was als Zuid Afrika en Roemenië.’

Kees van Kortenhof

De Rode ambassadeur. De 20ste eeuw door de ogen van Coen Stork, geschreven door Peter Henk Steenhuis, filosofieredacteur bij het dagblad Trouw en publicist.
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep – ISBN 9789025368784 – Prijs € 17,95, 208 blz.

Ter gelegenheid van de verschijning van dit boek heeft Bijzonder Collecties van de UVA een kleine tentoonstelling ingericht over Coen Stork. Locatie: Museumcafé van de Bijzondere Collecties, Oude Turfmarkt 129 te Amsterdam.

Openingstijden: vrijdag 25 mei van 9. 30 – 13 uur, maandag 28 mei 13 tot 17 uur, dinsdag 29 mei en woensdag 30 mei van 9.30 tot 17 uur. Toegang vrij.