Gevluchte Cubaanse inlichtingenofficier weet meer over dood Payá

De Cubaanse hoge militair Ortelio Abrahantes Bacallao, die in de Bahamas gevangen zit na zijn vlucht in maart uit Cuba, zegt over ‘waardevolle’ informatie te beschikken over de omstandigheden waaronder de mensenrechtenactivist Oswaldo Payá in 2012 bij een verkeersongeluk om het leven kwam. Ortelio Abrahantes Bacallao is een neef van José Abrantes, voormalig Minister van Binnenlandse Zaken die in 1989 in de nasleep van de affaire Ochoa gevangen werd gezet en veroordeeld wegen ‘corruptie’.

Oswlado Pyaá en hardold Cepero (rechts)

Oswlado Payá en Harold Cepero (rechts)

Ortelio José Abrahantes (42): ’Ik weet veel. En ze willen me graag in handen hebben,’ zegt hij in een interview met de krant El Nuevo Herald met een verwijzing naar pogingen van de Cubaanse autoriteiten hem uit te laten leveren. Hij zegt te weten dat collega’s van hem bij het auto-ongeluk op 22 juli 2012 waar Payá om het leven kwam, betrokken waren toen ze zijn auto enkele malen ramden. Over de zaak van Payá, zegt Abrahantes details over zijn dood te hebben gehoord tijdens een feest met andere agenten van de DCI, ongeveer een maand nadat de autobotsing plaats vond. De Cubaanse autoriteiten beschuldigden de Spaanse chauffeur Ángel Carromero van roekeloos gedrag toen hij de wagen bestuurde waarin Payá zat. Bij het auto-ongeval kwam ook de activist Harold Cepero om het leven. Carromero en de familie van Payá hebben altijd gezegd dat de auto van Payá van achteren door een overheidswagen is geramd. Volgens Abrahantes Bacallao zou een hoge functionaris tijdens het feestje hebben gezegd dat agenten van de DCI in de provincie Holguín met een rode Lada, model 2107, hebben geprobeerd de auto die door Carromero werd bestuurd, aan te houden en vervolgens bij de stad Bayamo een botsing hebben uitgelokt. Payá en Harold Cepero stierven nog dezelfde dag in het ziekenhuis van Bayamo, aldus de versie van Abrahantes Bacallao. De Cubaanse autoriteiten zeiden dat Payá tengevolge van de schok van de botsing direct overleed en Cepero in het ziekenhuis.

Ortelio Abrantes

Ortelio Abrantes Bacallao

Beloningen en medailles
Abrahantes Bacallao zei verder dat zijn vrienden hem vertelden dat het Ministerie de agenten beloonden met medailles en opdracht gaven dat de betrokken Lada vernietigd moest worden om elk bewijs van een botsing tussen twee auto’s te doen verdwijnen. Volgens Abrahantes was er geen sprake van een ongeluk met een voertuig, zoals de autoriteiten in hun rapport vaststellen. Abrahantes Bacallao is in bezit van de nodige papieren waaruit blijkt dat hij in 1998 medewerker werd van MININT waar hij werkte bij de technische opsporing, het Departamento Técnico Investigaciones (DTI) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Medewerker van de DTI

Medewerker van DTI

Toen hij Cuba verliet had hij de graad van majoor in de leiding van de contraspionage (DCI). In de laatste periode was hij belast met operaties in de provincie Ciego de Ávila. Hij ontsnapte op 24 maart met een zeilboot, eigendom van het ministerie en werd drie dagen later door de Amerikaanse kustwacht opgepakt en naar een immigratiecentrum op de Bahamas gebracht. Zijn advocaat in Miami, David Álvarez, zegt dat hij wordt geëxecuteerd als wordt besloten hem aan Cuba uit te leveren ‘omdat hij actief was in de Cubaanse strijdkrachten.’ Bij zijn toetreden tot MININT zou de letter H aan zijn naam zijn toegevoegd om verwarring met de overleden en veroordeelde oud-minister Abrantes te voorkomen.

Minister Abrantes voor de rechtbank

Minister Abrantes voor de rechtbank

Neef van oud-minister
Ortelio zegt de neef te zijn van generaal José Abrantes die in 1989 op beschuldiging van corruptie, werd veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf.* Dit proces was onderdeel van een grotere rechtzaak tegen drugshandel waarbij de hoofdpersoon, generaal Arnaldo Ochoa en drie andere officieren tot de doodstraf werden veroordeeld. José Abrantes zou in 1991 in de gevangenis van Guanajay aan een hartstilstand zijn overleden hoewel velen de omstandigheden van zijn dood mysterieus blijven vinden. In Ciego de Ávila, laat de vrouw van Abrahantes Bacallao, Yadelis Rivera, weten bang te zijn voor represailles van de zijde van de regering na de vlucht van haar man. Zij heeft haar huis verlaten en woont nu met haar 8-jarige dochter bij haar moeder in dezelfde provincie.

Link
* Bericht televisiejournaal over vlucht Abrahantes, 4,35

Noot
* De aanhouding en veroordeling van Abrantes viel samen met de arrestatie en latere executie op 13 juli 1989 van Cuba’s militaire held, generaal Arnaldo Ochoa wegens drugssmokkel en landverraad. Ochoa (59), veteraan uit de militaire campagnes in Angola, Venezuela, Ethiopië en Nicaragua, droeg de titel Held van de Revolutie. Hij was ook lid van het Centraal Comité van de Cubaanse Communistische Partij. Behalve Ochoa werden nog drie hoge officieren Antonio de la Guardia, Jorge Martinez en Amado Bruno Padron ter dood veroordeeld. De ter dood gebrachte militairen en nog zeven tot levenslang veroordeelde officieren, zouden kennis hebben gehad van de directe betrokkenheid van Cuba met het Medellinkartel en de president van Panama, Noriega. Uit bewijs dat tijdens de rechtzaak werd getoond, bleek dat Ochoa en de drie anderen, actief betrokken waren bij het vervoer van cocaïne via Cuba vanuit Colombia.

Fidel Castro en Arnaldo Ochoa

Fidel Castro en Arnaldo Ochoa

Volgens direct betrokkenen zou Fidel Castro Abrantes toestemming hebben gegeven en de Minister van Defensie Raúl Castro, had de contacten van Ochoa met het Medellinkartel goedgekeurd. Toen onthullingen dreigden in het buitenland over hun directe betrokkenheid grepen de Castro’s in. De operatie betekende ook de overwinning van het militair apparaat onder leiding van Raúl Castro in de  strijd met het Ministerie van Binnenlandse Zaken MININT en de geheime dienst die jarenlang duurde. Meer dan 500 hoge officieren werden ontslagen, weggezuiverd en met vervroegd pensioen (soms 45 jaar) gestuurd. De dienst werd overgenomen door de veel minder ervaren militaire inlichtingendienst. De dienst van MININT werd lange tijd beschouwd als een van de beste spionagediensten na die van de VS, Rusland en Israël.

Ministerie van Binnenlandse Zaken gaat filmscripts beoordelen

Sinds een maand keurt het Ministerie van Binnenlandse Zaken de scenario’s van Cubaanse films goed en moet het eveneens instemmen met de betrokkenheid van het technisch en artistiek personeel. Een bron binnen het Cubaanse filminstituut ICAIC heeft gezegd dat deze praktijk sinds een week is ingevoerd.

Zou de recente film Conducto de normen van het Ministerie van Binnelandse Zaken (met o.a. de geheiem dienst ) de overleven?

Zou de recente zeer succesvolle film Conducta de normen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (met o.a. de geheime dienst ) overleven?

Donderdag heeft de onafhankelijke filmmaker Ricardo Figueredo Oliva in zijn Facebook commentaar geleverd op deze nieuwe vorm van censuur.
‘Nieuwe maatregel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; men moet voortaan het draaiboek van de film die men wil maken overleggen en zij beslissen of de film doorgaat en het ministerie moet ook instemmen met de namen op de personeelslijst,’ aldus Ricardo Figueredo Oliva op Facebook. Hij noemt de nieuwe overheidsmaatregel een bewijs van een ‘gebrek aan respect.’ De maatregel heeft tot veel nieuwe reacties op sociale media geleid. Deskundigen vermoeden dat met de maatregel de overheid de groei van het onafhankelijke filmcircuit wil inperken.
Vorig jaar was met de benoeming van Roberto Smith als president van het filminstituut ICAIC al een poging gedaan meer greep te krijgen op het ‘meest liberale’ segment van het Ministerie van Cultuur. Toen hebben kunstenaars en technici ook een open debat gevraagd over de toekomst van de film in Cuba. Dat heeft nooit plaatsgevonden. Het ICAIC bestuur beloofde een ‘werkgroep’ op te richten, maar over de activiteiten ervan is nooit iets bekend gemaakt.

Reacties
Op de website Diario de Cuba staan enkele reacties:
Het lijkt erop dat dit ministerie alle bestaande problemen als diefstal en roof in huizen en bedrijven, de illegale slacht van vee, winkeldiefstallen, misdaden in de steden en drugshandel heeft opgelost. Omdat dit nu allemaal rond is, of bijna, heeft men nu nieuwe klussen nodig.’
‘Ja, ja, ja, maar het valt niet te ontkennen dat het Cubaanse ministerie MININT ervaren filmmakers in dienst heeft, die hun tijd doorbrengen met het dagelijks leven van dissidenten op de film te zetten.’

Link
* Facebook van Ricardo Figueredo Oliva

Cubaans regime bouwt kantoor voor internetcensuur

Nog voor het einde van dit jaar zal in Cuba een internetcensuurinstelling functioneren. Het kantoor van deze nieuwe overheidsdienst staat aan de Quinta Avenida in de wijk Miramar in Havana.

MININTedificiomiramar140213Dat meldt de website Diario de Cuba die ook informeert dat het gebouw toebehoort aan het Informaticalaboratorium van het Cubaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken (MININT). De nieuwe instelling zou vooral de stroom van informatie die Cuba binnengaat en verlaat wanneer de glasvezelkabel functioneert, in de gaten moeten houden. Buren aan de Quinta Avenida bevestigen dat het gebouw behoort aan MININT, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en dat ‘het te maken heeft met informatica en internet.’ De Cubaanse staatsveiligheidsdienst valt onder het MININT.

Internet á la China
Een technisch specialist zegt op Diario de Cuba dat de regering van plan zou zijn het gecontroleerde intranet voor de Cubanen uit te breiden zoals in China. China biedt alle inwoners een goedkope vorm van internet, maar de inhoud wordt sterk gecensureerd. Recent is Havana begonnen met de installatie van ADSL in overheidssectoren vooral bestemd voor belangrijke medewerkers van MININT, leiders en officiele journalisten, maar de snelheid is minder dan 1MB. De officiele pers herinnerde er donderdag jongstleden nog eens aan dat ‘internet en de nieuwe technologieën een ideologisch slachtveld zijn.’ Aanleiding was een internationale conferentie in Havana van regimegetrouwen over de sociale media en alternatieve media. De jongerenkrant Juventud Rebelde schrijft: ‘Strijd tegen het terrorisme in de media en de desinformatie als strategie van de grote machtscentra op de wereld, is onvermijdelijk in deze nieuwe tijden’.

Link
Teksten en slotverklaring van officiele conferentie over internet en sociale media

Ministerie: Spaanse chauffeur hoofdschuldige auto-ongeluk Oswaldo Payá

In een ongewoon uitvoerige notitie constateert het Cubaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken (MININT) dat een ‘te hoge snelheid’ en een ‘gebrek aan oplettendheid’ bij de chauffeur de hoofdoorzaken zijn geweest van het dodelijke ongeluk waarbij de Cubaanse mensenrechtenactivisten Oswaldo Payá en Harold Cepero op 22 juli om het leven kwamen. De Spaanse chauffeur Ángel Francisco Carromero riskeert, aldus deskundigen, een gevangenisstraf van 10 jaar.

Het ministerie meldt dat het onderzoeksproces en het justitiële traject ‘volgens de Cubaanse wetgeving’ worden voorgezet. Het volledige rapport werd op de officiële website Cubadebate geplaatst, op de staatstelevisie voorgelezen inclusief alle details waar het ministerie op stootte. In Cuba worden bijna nooit berichten gepubliceerd over verkeersongelukken. Vanwege de vele vragen die er leven bij familieleden, dissidenten, buitenlandse vertegenwoordigers en ballingen hebben de autoriteiten daar nu waarschijnlijk toe besloten.

Deze foto werd eerder gepubliceerd op de weblog van een regionale journalist in de provincie Granma

Hoge snelheid
Volgens het onderzoek zou de huurauto, een Hyundai Accent met het kenteken T31402, op 22 juli om 13.50 uur, met daarin  Payá, Cepero, de Spanjaard Ángel Francisco Carromero en de Zweed Aron Modig ‘van de weg zijn geraakt en tegen een boom zijn gereden’ op het traject Las Tunas-Bayamo, in de plaats La Gabina in de provincie Granma. Volgens MININT werd de auto op het moment van het ongeluk bestuurd door Ángel Carromero en zat Jens Aron Modig naast hem. Oswaldo Payá zat achter links, met naast hem Harold Cepero. ‘De twee laatste hadden geen veiligheidsgordels om.’ Het onderzoeksrapport constateert verder dat een deel van deze weg waar het ongeluk plaatsvond, in reparatie was en dat er over een lengte van twee kilometer geen wegdek was waardoor ‘het was veranderd in een soort wal bestaande uit heel veel kiezel.’ Er was echter sprake van een rechte weg met goed zicht en een waarschuwingsbord dat aangaf dat er onderhoudswerkzaamheden werden verricht waardoor de maximale snelheid 60 kilometer bedroeg.

Drie getuigen
Het rapport van MININT citeert drie getuigenverklaringen van personen die ter plekke aanwezig waren op het moment van het ongeluk: José Antonio Duque de Estrada Pérez, Lázaro Miguel Parra Arjona en Wilber Rondón Barrero.

De boom waar volgens het officiele rapport van de Cubaanse autoriteiten, de auto met Payá tegenaan reed

Zij verklaren dat de auto te hard reed en de aarden wal raakte. MININT constateert ook dat de vier passagiers ’s ochtends om 6 uur Havana hadden verlaten en berekenen dat de Spaanse chauffeur Ángel Carromero 120 kilometer per uur moet hebben gereden. De 60-jarige Payá zou door de klap op slag dood zijn geweest. Ook de andere dissident, Harold Cepero Escalante, overleefde het ongeval niet.

Tien jaar cel
Deskundigen zeggen dat Carromero, leider van de jeugdbeweging Nuevas Generaciónes in Madrid, vanwege zijn betrokkenheid bij het dodelijk ongeluk in Cuba meer dan 10 jaar cel kan krijgen. Zijn versie van de gebeurtenissen en die van Jens Aron Modig van de Jeugdliga van Christendemocraten in Zweden, worden met spanning tegemoet gezien door waarnemers, dissidenten en met name de familie van Payá. Zijn weduwe Ofelia verwerpt de versie van MININT waarvan ze mondeling op de hoogte werd gesteld en zegt over informatie te beschikken waaruit blijkt  dat de auto enkele malen door een tweede auto in het nauw werd gebracht.

Linken
* Het ongeluk volgens MININT, 30 seconden
* Het volledige rapport van MININT  op de website Cubadebate
* Payá’s vrouw, Ofelia Acevedo, wil de nog levende ingezetenen van de auto Ángel Carromero en Jens Aron Modig spreken en de eventuele getuigen ter plekke.

Geheime dienst Cuba en DDR gebruikten gevangenen voor IKEA-producten (1)

Het controversiële contract waarbij Cubaanse gevangenen werden ingezet om meubels voor IKEA te maken, maakte deel uit van veelomvattender akkoorden, die gesloten werden door bedrijven die geleid werden door de geheime diensten van de DDR en Cuba. Behalve meubels was er ook sprake van handel in antiek, sigaren en wapens, aldus een onderzoeker in Berlijn.

Onderzoeker Jorge Luis Garcia vond in de archieven van de Oost-Duitse geheime dienst documenten over de deals en wijst erop dat Fidel Castro persoonlijk het principeakkoord goedkeurde. Garcia zegt in de krant Nuevo Herald dat hij in 2006 al een artikel publiceerde waarbij de Cubaanse productie ‘voor export naar Zweden’ al werd vermeld. Begin dit jaar plaatste hij een bericht op zijn weblog Stasi-Minint Connection. De kwestie kreeg begin mei veel aandacht toen een Duitse krant berichtte dat een IKEA-vestiging in Berlijn en een Oost-Duits bedrijf in 1987 betrokken waren bij contracten waarbij Cubaanse gevangenen werden ingezet om 45.000 tafels en 4.000 sofa’s te fabriceren. Twee jaar later viel de Berlijnse Muur, verdween de toenmalige DDR en werden de archieven van de Stasi geopend. García zegt niet zeker te weten hoeveel van de orders ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

Geheime dienst
Uit een document blijkt dat er twee bedrijven bij deze transacties betrokken waren, namelijk Delta GmbH en Art and Antiquities KuA, beiden gecontroleerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken van de DDR. De beruchte Stasi maakte deel uit van dit ministerie. Officieel waren deze bedrijven onderdeel van de staatshandelsonderneming Kommerzielle Koordinierung geleid door Stasi-officier  Alexander Schalck-Golodkowski* die in 1989 de DDR ontvluchtte. In Havana ging het om het bedrijf Emiat, een bedrijf dat onderdeel was van het Cubaanse ministerie van Binnenlandse Zaken of Minint. Ook in Cuba is de staatsveiligheidsdienst een onderdeel van dit ministerie.

In 1972 bezocht Fidel Castro voor de eerste maal de DDR en ontmoette o.a. zijn collega Honecker

Toestemming Fidel Castro
Drie medewerkers van KuA en Delta bezochten van 17 tot 26 september 1987 Cuba en overlegden daar met collega’s van Minint en Emiat. Er werden bezoeken gebracht aan productiecentra en deels maakten die deel uit van de strafinstellingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het document zegt o.a. dat Emiat de productie bij deze instellingen wilde vergroten. Ook de Cubaanse minister van Handel,  Ricardo Cabrisas, ontmoette de gasten uit de DDR en hij deelde hen mee dat compañero Fidel Castro de samenwerking had toegestaan.

Link
* De weblog over de relaties tussen Cuba en de DDR

* Schalck-Golodkowski  leidde namens de DDR in 1983 de onderhandelingen met de Beierse leider Frans Jozef Strauss. De DDR kreeg daardoor de beschikking over een lening van 1 miljard Duitse Mark. Hij werd in 1986  benoemd tot lid van het Centraal Comite van de Oost-Duitse SED, maar later aangehouden omdat hij fondsen van het bureua Koko (Kommerzielle Koordinierung) zou hebben misbruikt. Daarom vluchtte hij naar het Wetsen waar hij kort werd vastgehouden maar uitendelijk kon hij zich in Beieren vestigen. KoKo en  Schalck-Golodkowski werden in 1991 onderzocht op verdenking van spionage, belastingontduiking, fraude en overtredinge van militaire wetten. Hij werd in 1996 veroordeeld tot 1 jaar voorlopige gevangenisstraf, maar vanwege zijn zwakke gezondheid werden enkele aanklachten ook weer ingetrokken. Daarna vestigde hij zich in Beieren, waar hij een bedrijf “Dr. Schalck & Co” oprichtte. In 1998 werd afgezien van verdere strafrechtelijke vervolging omdat Schalck-Golodkowski aan kanker leed.