Meloenen of eenheid: Cubaanse vakbeweging onder Castro

Toen Fidel Castro op 1 januari 1959 aan de macht kwam, was de helft van de arbeidzame bevolking in Cuba lid van een vakbond. De Central de Trabajadores de Cuba (CTC) telde 1.200.000 leden en 33 beroepsfederaties. De vakcentrale was veelvormig en telde katholieke, communistische, socialistische en anarchistische leden en bonden. De achturige werkdag, een minimumloon, stakingsrecht en ontslagbescherming waren door inspanningen van de CTC al voor 1959 gerealiseerd. Naast de gewapende strijd van de Castro’s c.s. in de bergen, vormde het stedelijk verzet waar de vakbeweging deel van uit maakte, de kern van het verzet tegen dictator Batista.

Fidel Castro spreekt de bevolking van Havana toe in januari 1959

Fidel Castro spreekt de bevolking van Havana toe in januari 1959

In januari 1959 toen de rebellengroepen onder leiding van Fidel Castro Havana binnentrokken, werden alle 33 nationale hoofdkantoren van de Cubaanse vakbeweging door het stedelijk verzet bezet en werden de vakbondsleiders die Batista hadden gesteund weggejaagd. Het was tijd voor nieuwe – vrije, democratische en geheime – verkiezingen die in 1959 overal werden georganiseerd en die moesten uitmonden in het eerste revolutionaire vakbondscongres in november van dat jaar. Lokaal stond de merendeels anti-communistische Beweging van de 26ste Juli tegenover de sympathisanten van het communisme. De Beweging kwam bij haast alle lokale verkiezingen als winnaar uit de bus en de communisten werden afgerekend op hun aarzelende steun aan het verzet. Had de partij de eerste gewapende actie van Castro in 1953 met de aanval op de Moncadakazerne niet afgedaan als ‘avonturisme van rijke burgermanszonen?’ Zelfs in de voedingsbond en de textielbond kregen de communisten weinig steun. Bij de bond voor suikerrietarbeiders bleken slechts 15 van de 9.000 gedelegeerden te sympathiseren met de communistische partij PSP.

Eenheid
Op 18 november 1959 hield de vakcentrale CTC haar eerste nationale congres. Van de 3.200 afgevaardigden waren er 200 communisten. De overige 3.000 maakten deel uit van de revolutionaire Beweging van de 26ste Juli. Het leek erop alsof de communistische partij PSP geen beduidende rol meer zou spelen in de Cubaanse vakbeweging. Maar Fidel Castro besliste anders. In toenemende mate was zijn afkeer voor partijcommunisten veranderd in waardering  voor de steun van de PSP. Bovendien kon hij de organisatie en de mobilisatiekracht van deze partij goed gebruiken. Tweemaal voerde hij tijdens het vakbondscongres het woord. In zijn openingswoord benadrukte Fidel de noodzaak van Unidad / Eenheid en zei niets te voelen voor een verkiezingscircus. Citaat: ‘Het enige waar het hier omgaat is de onverbrekelijke solidariteit met de Revolutie. Is er hier één arbeider die het niet met ons eens is? De revolutie gaat boven alles.’ (…) ‘Elke verdeeldheid tijdens dit vakbondscongres zal vooral onze vijanden veel plezier doen.’ (…) ‘Tegenover de aanvallen van de vijanden moet er discipline zijn.’

ctc1-150x147Militairen op vakbondscongres
Maar de vakbondsafgevaardigden leken niet overtuigd. Zij waren immers gekomen om na jaren van dictatuur, vrij te spreken en te debatteren en in alle vrijheid hun stem uit te brengen. Toen bleek dat van de 33 vakbondsfederaties op het congres er 27 waren die geen communisten in het CTC-leiding wilden. Onder de 3.200 gedelegeerden brak groot tumult uit. Er werd  gevochten tussen de aanhangers van de communistische partij en de rest. ‘Unidad, unidad (eenheid)’, riepen de eersten. ‘Melones, melones (meloenen),’ antwoordden de leden van de Beweging van de 26ste Juli.  De communisten werden met watermeloenen vergeleken omdat deze groen van buiten (de kleur van het guerrilla-uniform) en rood van binnen zouden zijn. In de vroege morgen van 22 november keerde Fidel Castro in militair uniform naar het vakbondscongres terug, vergezeld van een groep bewapende militairen. ‘Dit is een schaamteloos spektakel,’ schreeuwde hij en voegde vervolgens de namen van drie communisten aan de kandidatenlijst van het 13 personen tellend bestuur van de CTC, toe. Castro legde uit dat deze toevoeging nodig was ter wille van de eenheid. De Cubaanse arbeiders waren in die periode van de revolutie dol op Fidel Castro en gaven hem wat hij vroeg, maar ze zouden hun onafhankelijke vakbonden nooit opgeven en dat werd Che, Raúl en Fidel ook duidelijk gemaakt. De drie extra toegevoegde kandidaten werden bij de eerste stemming verslagen. Toen diende Fidel Castro opnieuw een lijst in waarop de namen van de drie verslagen communisten ontbraken, maar ook die van Reinol González, die in 1959 tot internationaal secretaris van de CTC was benoemd. Hij had een van de algemene stakingen tegen Batista geleid en was anticommunist. Hij kwam voort uit de Cubaanse afdeling van de Katholieke Arbeidsjongeren (KAJ). Tegenover deze overmacht moest het congres wel capituleren. Voor elke functie werd nu één kandidaat voorgedragen en de verkiezingen vonden met handopsteken plaats. Tijdelijk voorzitter werd de socialist David Salvador.

Reinol González bezocht in 1977 met zijn vrouw Teresita Nederland. Zij waren de gast van CLAT Nederland. Hij sprak over zijn Cubaanse ervaringen met CNV, FNV en Amnesty International. González was in Cuba actief in de Juventud Obrera Católica (JOC), de Cubaanse afdeling van de internationale kajottersbeweging KAJ.

Reinol González bezocht in 1977 met zijn vrouw Teresita Nederland. Zij waren de gast van CLAT Nederland. Hij sprak over zijn Cubaanse ervaringen met CNV, FNV en Amnesty International. González was in Cuba actief in de Juventud Obrera Católica (JOC), de Cubaanse afdeling van de internationale kajottersbeweging KAJ.

Gevangenis en strafkampen
David Salvador trad in mei 1960 terug als secretaris-generaal van de CTC uit protest tegen de overname van het vakbondsapparaat door de communisten. Enkele maanden later werd hij gearresteerd en veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf. David Salvador kwam door bemiddeling van de Colombiaanse schrijver en vriend van Castro, Gabriel Marquez  vervroegd vrij en verliet Cuba. Reinol González zou 17 jaar gevangen zitten en in 1977 ook door tussenkomst van Gabriel Marquez vrij komen. In november 1960 was de communistische vakbondsbureaucraat Lazaro Peña, benoemd tot de nieuwe secretaris-generaal van de CTC. Hij was dat al eerder geweest, namelijk in 1939 toen de Cubaanse communisten met Batista samenwerkten. De droom van een vrije vakbeweging in een revolutionair Cuba was voorbij. Die vrije vakbeweging was ook niet meer nodig, volgens de huidige Cubaanse president Raúl Castro die in de beginjaren van de revolutie de Cubaanse werknemers trachtte te overtuigen met ‘de beste vakbond is de Staat – de arbeiders hebben geen vakbonden nodig als zij een bevriende regering hebben, HUN regering, die hen beschermt’.

Kees van Kortenhof

Deze tekst verscheen in juli 2015 op de website van de Vrienden van de Vakbondshistorie VHV. De auteur is ook bestuurslid van de VHV.